Close

October 13, 2014

Jan Mulder neemt afscheid van Rinus Michels

“Hij maakte reclame voor ontbijtkoek van Pijnenburg. Ik zat bij hetzelfde bureau voor een commercial van de Postbank. Bij het inspreken van de tekst kwam ik hem in maart 2005, derig jaar na Munchen, toevallig tegen. Ik stak mijn hand uit. Hij pakte mijn schouderblad, kwam met zijn bovenlichaam naar me toe, drukte zijn wang voorzichtig tegen me aan. Meneer Michels gaf een accolade. Ik beschouwde het als een late toenadering en misschien zelfs als een bewijs van het feit dat hij het destijds verkeerd had beoordeeld.

‘Hoe is het?’ We zeiden het tegelijk.
Harmonieus is mijn verhouding met hem nooit geweest, hoewel hij altijd een zekere sympathie van je vergde, wat iedereen op de een of andere manier inderdaad ook voor hem bleef voelen, of je in et voetballeven nou veel te cru door hem was gepasseerd of op een andere manier slecht behandeld.
Hoe het is? Ik mompelde iets over glorietijden, ouder worden, het naderende einde omdat de tijd met je goochelt en dat de dood niet goed is, omdat je graag nog een tijdje abonnee van Voetbal International wilt blijven. Op een gegeven moment is het zaak om efficient met de tijd om te gaan.
‘Ik weet niet precies hoe ik de volgende tien jaar nuttig moert besteden, meneer Michels.’
Michels antwoordde: ‘Dingen doen waarvan je vermoedt dat ze nuttig zijn, dunkt me, m’n jongen.’ Grijns.

Hij zag er goed maar broos uit, ik zei onhandig: ‘En hoe gaat het met u?’
Hij keek me aan met de tedere oogopslag van iemand die weet dat je dat wel weet.
Zijn vrouw Wil was overleden.
Hij was veel thuis, las niet zoveel als hij vroeger deed, had weinig zin meer in kaartspelletjes op de computer en zat vaak wat voor zich uit te herinneren.
‘Met mij? Uitstekend. Ik word dinsdag geopereerd.’
Het hart.
‘Even een elastiekje er omheen laten doen.
Hoe voer je zo’n gesprek verder.
Ik vroeg: ‘Waar laat u het doen?’
‘Belgie.’
Wanneer Michels een woord uitsprak, kreeg het een andere betekenis of op z’n minst een extra betekenis.
Belgie had opeens zijn definitieve plek gevonden. Op z’n Michels. ‘Daar zit dan zo’n specialist, he. In Aalst.’
Hij keek me aan: nu jij weer wat zeggen.
Hij nam gezellig plaats in een crapeau. Ik had Michels zelden zo op z’n gemak gezien met mij in de buurt en ik durfde te vragen: ‘Ziet u er tegenop?’
“Nee.’
Hij dacht weer aan Wil.
Hij zag er eenzaam uit.
Ik nam me voor hem een brief te schrijven en af te spreken als hij weer thuis was, in Amsterdam. Dat ging mis. Rinus Michels is voor altrjd in Aalst.”

(Jan Mulder en Frank Buyse, Tot u spreekt Jan Mulder – Opkomst, verval en redding van het voetbal (en van mezelf), Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, Gent / Thomas Rap, Amsterdam 2014, blz 138-139)