Close

July 19, 2014

Hockey: strafcorner, taktiek en veiligheid

“Dankzij de invoering van de interchange-regel, een regel die afkomstig was uit het ijshockey, was het mogelijk om tijdens een wedstrijd alle zestien spelers uit de selectie doorlopend te wisselen. De interchange-regel was ingevoerd om het spel sneller en aantrekkelijker te maken. Na een speelperiode van een paar minuten konden de spelers even op adem komen om er vervolgens weer voluit tegenaan te gaan.

Het werd door die regel nu mogelijk een strafcornerspecialist alleen bij een strafcorner in het veld te brengen, ook al kwam hij tijdens de rest van de wedstrijd niet in actie. Bij Bram Lomans was dat aanvankelijk het geval. Oltmans achtte hem nog niet goed genoeg voor een basisplaats en liet hem alleen bij een strafcorner invallen met als voornaamste doel het in verwarring brengen van de tegenstander. Alle zichzelf respecterende tophockeylanden bestudeerden elkaars strafcorners door ze vast te leggen op video en de beelden grondig te analyseren. Voor de keeper en de vier lijnverdedigers was het belangrijk om te weten hoe de strafcorners werden genomen, zodat ze wisten hoe ze het best konden uitlopen om een doelpunt te voorkomen. Werd de bal direct op het doel geslagen? Of was er sprake van een variant, waarbij de bal werd afgeschoven naar een medespeler? Kwam er een schot? Of een hoge push?

Naarmate een toernooi vorderde stelde de verdedigende partij zich steeds beter in op de strafcorner van de tegenstander. Oltmans besloot daarom de strafcorner van Bram Lomans voor de laatste wedstrijden van het toernooi te bewaren en hem alleen in te zetten als Bovelander en Van den Honert zouden falen. In het internationale tophockey was Lomans nog niet zo bekend als zijn twee teamgenoten – voor Oltmans een goede reden om dat zo te houden. Als Nederland een strafcorner kreeg, bracht hij Lomans elke keer in het veld, zonder dat die ook werkelijk de bal kreeg toegespeeld. Diens aanwezigheid alleen al zorgde voor verwarring bij de tegenstander. In de voorbereiding op de Olympische Spelen had Lomans meegespeeld in twee oefenwedstrijden tegen Duitsland en tweemaal uit een strafcorner gescoord. Tegenstanders waren dus gewaarschuwd als hij het veld betrad. Omdat Bovelander en Van den Honert deden wat van ze werd verwacht, hoefde Lomans eigenlijk niet eens in actie te komen. Toch liet Oltmans hem tijdens de eerste wedstrijden van het Olympisch toernooi 17 keer in het veld komen, zonder dat hij hem op doel liet schieten. Pas in de laatste poulewedstrijd tegen Zuid-Afrika mocht Lomans daadwerkelijk bij de strafcorner aanleggen voor een schot en hij wist tweemaal uit een strafcorner te scoren.

Door Lomans tegen Zuid-Afrika toch opeens in te zetten als schutter begon Oltmans een psychologische oorlogsvoering tegen aaertsrivaal Duitsland, de tegenstander in de halve finale. In die wedstrijd bewees Lomans opnieuw zijn waarde door vooral voor veel verwarring te zorgen.Bij een van de strafcorners rende hij in volle vaart op de Duitse keeper af om hem het zicht te benemen, een truc die Marc Lammers eerder bij zijn club Den Bosch had geintroduceerd en die daarom de naam ‘lammeren’ had gekregen. Later werd de actie vanwege veiligheidsoverwegingen door de FIH verboden.

[…]

De strafcorner zorgde voor sensatie en maakte het spel spannend. Zodra de scheidsrechter had gefloten voor een strafcorner steeg de spanning langs de lijn en keken alle toeschouwers aandachtig naar het steekspel tussen de aanvallers aan de kop van de cirkel en de doelman en zijn verdedigers op de doellijn. Voor een buitenstaander leek het alsof de spelers maar lukraak wat deden: de speler die de strafcorner nam, probeerde de bal zo hard mogelijk in het doel te jagen en op hun beurt probeerden de verdedigers hem dat als een stel roekeloze waaghalzen te beletten. Het getrainde oog van een hockeyer zag echter iets heel anders. Keeper Jaap Stockmann legde uit dat het draaide om een goede samenwerking tussen hem en zijn verdedigers. ‘Je staat met z’n vijven in de goal, maar binnen de cornerverdedging heb je verschillende opstellingen, je kunt niet alle zones dichtzetten. Dus waar wil je de druk hebben?’ Als verdedigende partij moest je het doel zodanig afschermen dat degene die de strafcorner nam nog maar een mogelijkheid kreeg om te scoren. De kunst was om de aanvaller als het ware te dwingen om de bal daar naartoe te slaan. Als iedere speler zich aan zijn taak hield, ging de bal daar ook heen en dan was hij er als keeper om de bal te stoppen. Uiteraar had hij voor de wedstrijd de videobeelden van de strafcorner van de tegenstander goed bestudeerd.

Toch brak op gezette tijden een discussie los over de veiligheid. Nu de bal steeds vaker werd gepusht was het toegestaan om hem hoog in het doel te plaatsen. Spelers die beschikten over de juiste techniek bij de sleeppush joegen de bal soms met bijna 120 kilometer per uur het doel in.

Om de veiligheid van de spelers op de doellijn te vergroten werd het toegestaan dat ook zij net als de keeper een gezichtsmasker droegen. Met als gevolg dat verdedigers steeds verder gingen om het scoren te voorkomen. De zogeheten ‘suicide-lopers’ wierpen zich met doodsverachting in de baan van het schot, wat niet alleen gevaar opleverde voor de uitloper zelf, maar ook voor degene die de strafcorner nam, die soms expres omver werd gelopen.”

(Ricci Scheldwacht, Echte hockeyers douchen niet – Hoe een elitesport Nederland veroverde, Meulenhoff Boekerij, Amsterdam 2014, blz 92-94, 96-97)