Close

July 29, 2014

De “valsbenigheid” van vleugelaanvallers

“Ergens heeft hij van boven tot onder, en niet in chronologische volgorde, een reeks namen gekrabbeld: Garrincha, Matthaus, Best, Coppell, Moulijn, Finney, Rensenbrink, Boniperti, Kopa, La Ling, Swart, Keizer, Conti, Zagallo, Gento, Carlier, De Harder, Thoresen, Van de Kerkhof, Van der Gijp.

Verduidelijkend: ‘Zij waren allemaal bij een enorme hoeveelheid doelpunten betrokken doordat ze met grote regelmaat de achterlijn haalden. Dat zie ik niemand meer doen.’

Tot zijn leedwezen constateert Kick dat de traditionele vleugelspitsen met uitsterven bedreigd worden. Zelfs bij Ajax breken ze niet meer door. Veel elftallen in Europa volgen de trend met een linksbenige aanvaller op rechts en een rechtsbenige aanvaller op links.

Kick: ‘De filosofie erachter is dat ze dan minder voorspelbaar zijn en ook binnendoor kunnen. Maar instinctief zoeken die spelers toch hun sterke been op en dus gaan ze nog zelden buitenom. Als je bij die achterlijn komt en je trekt de bal voor, heb je als inkomende speler meer kans om te scoren dan wanneer je met je rug naar het doel staat. Dat is toch logica? Je hoeft niet eens groot te zijn om koppend te scoren, als de vleugelspeler die bal maar precies in de loop geeft. Ik had op die manier een aandeel in pakweg zeventig procent van alle doelpunten. Ik vraag me echt af of er nog wel genoeg aandacht aan besteed wordt.”

(Yoeri van den Busken, Cees Kick – de George Best van de Lage Landen, Voetbal International, Gouda 2014, blz 126-127)