Close

June 21, 2014

Het psychologisch effect van de passeerbeweging

boilesen

“Trainer Frank de Boer van Ajax verrast met zijn basisformatie voor het uitduel met FC Barcelona in de Champions League (2013). Hij posteert Nicolai Boilesen, van origine verdediger, voorin op de linkerflank. ‘Dat is met het oog op Dani Alves, die graag mee opkomt’, motiveerde De Boer voor de camera van de NOS. ‘Maar Boilesen kan ook een mannetje passeren.’

Nu is dit wellicht geen spectaculair nieuws. Ik bedoel dat Frank de Boer zijn opstelling van Boilesen motiveert. Wel is het zeer opmerkelijk hoe Frank de Boer wenst te benadrukken dat Boilesen in staat is om een mannetje te passeren; alsof dat een exclusieve kwaliteit is als het om voetballen gaat op het hoogste niveau. Wie regelmatig naar voetbalwedstrijden kijkt, zal enig begrip kunnen opbrengen voo het enthousiasme van Frank de Boer over zijn verdediger. Immers, het valt meer dan eens op dat vrijwel alle spelers doorgaans liever ervoor kiezen de bal terug te spelen als zij een tegenstander aan zien komen, dan voor een passeerbeweging. Dit wijst erop dat spelkeuzes worden gemaakt die gebaseerd zijn op veiligheid. Want balverlies betekent de tegenstander in de kaart spelen en kan fatale gevolgen hebben. Daardoor wordt de winst bij een succesvolle passeerbeweging volledig uit het oog verloren. En de winst van een succesvolle passeerbeweging is groot: vanuit de verdediging is het middenveld direct bereikbaar, vanuit het middenveld is de aanvallende linie direct aanspeelbaar en een succesvolle passeerbeweging van een aanvaller levert doorgaans een scoringskans op. Een succesvolle passeerbeweging wordt zo weinig ingezet dat de tegenstander zich tegenwoordig een hoedje schrikt, waardoor de organisatie van achteruit meestal meteen in de soep loopt; alweer een voordeel van de aanvallende partij.

Zo bekeken is het daarom volstrekt onbegrijpelijk dat professionele spelers niet wordt opgedragen hun passeerbewegingen tot in de perfectie te oefenen. En al helemaal is het niet te vatten dat trainers weigeren om hun spelers aan te moedigen hun passeerkunsten op het veld te laten zien. Bovendien heeft het perfect uitvoeren van een passeerbeweging een belanrijk psychologisch effect: omdat de tegenstander in luttele seconden het nakijken heeft, wordt hij mentaal op achterstand gezet. En dit is een effect dat doorwerkt: ook in spelmomenten daarna zal de tegenstander onzekerder zijn, waardoor het voor de aanvallende partij nog makkelijker wordt om een serie succesvolle passeerbewegingen in te zetten.

Over veiligheid gesproken. Als dan eens door een mislukte passeerbeweging de bal door de tegenstander tot een goal wordt gepromoveerd, dan volgen altijd opmerkingen als ‘Dat mag op dit niveau niet gebeuren’ of ‘Sommige spelers hebben hun normale niveau niet bereikt’. Juist deze aantijgingen hebben weer tot gevolg dat spelers zich in volgende wedstrijden wel twee keer bedenken voordat zij nog iets van een passeerbeweging laten zien. En dat is eeuwig zonde. Vooral omdat de aantrekkelijkheid van het voetbal nu juist bestaat uit het nemen van risico’s. Wie voor de veilige weg kiest, legt op zijn minst een saai potje voetbal op de mat en draagt bij aan de zekerheid dat er nauwelijks scoringskansen worden gecreeerd.

Een plezierig uitzondering is Andreas Granqvist. In zijn periode bij FC Groningen (2008-2011) kwam hij als verdediger meer dan eens in een elegante slalom langs een man of zes om vervolgens de bal keihard in het net te knallen. Zijn rushes zorgden altijd voor verwarring bij de tegenstander, domweg omdat niemand erop rekende dat uitgerekend de laatste man van achteruit het lef zou hebben om solo in de aanval te gaan. Alleen al dat feit was voor menig tegenstander reden om angst te hebben de bal aan Granqvist kwijt te raken.

In de laatste wedstrijd voor de winterstop (2013-2014) speelde Vitesse uit tegen Heracles en was erop gebrand om winterkampioen te worden. Bij de rust staat Vitesse op een comfortabele voorsprong van 0-2. Trainer Jan de Jonge van Heracles heeft kennelijk in de pauze zijn spelers de instructie gegeven om vol op de aanval te spelen. Want binnen de kortste keren staat het gelijk (2-2), waarbij Vitesse ook nog van geluk kon spreken dat het de wedstrijd niet had verloren. Opvallend in de tweede helft zijn de keuzes van de spelers om in het duel hun tegenstander te passeren, waardoor voortdurend kansrijke situaties ontstonden voor het doel van Vitesse. Een goed voorbeeld van het belang om het veilig spelen af te zweren. Een uitzondering voor aanvallend voetbal is misschien alleen wanneer een zwaar bevochten 1-0 voorsprong aan het eind van de wedstrijd in de laatste minuten moet worden ‘binnengesleept’. Toch gebeurt het dan ook, meer dan eens, dat het ‘veilig’ rond spelen van de bal de onzekerheid van spelers vergroot, waardoor de winst alsnog uit handen wordt gegeven.

In het hedendaagse voetbal is het ‘positiespel’ heilig verklaard. Dit wellicht vooral omdat een club als Barcelona het tot in de perfectie weet uit te voeren. Het tikkie-takkievoetbal wordt zo snel en uitgekookt gespeeld dat daarmee uiteindelijk de vrije man kan worden gevonden, zoals dat heet. Nu is daar helemaal niets op tegen en zeker niet wanneer een ploeg dat op soortgelijke wijze als Barcelona ten uitvoer kan brengen. Maar een snellere weg naar het geluk is natuurlijk dat je als speler ook jezelf kunt vrij spelen. En dat lukt wanneer je een goede passeerbeweging in huis hebt. Probleem is wel dat de spelers die een briljante passeerbeweging in huis hebben (Luis Suarez, Arjen Robben) altijd een ‘dubbele dekking’ krijgen. Maar voor dit soort spelers is dat nauwelijks iets om wakker van te liggen. Of zij nu twee, drie of vier spelers moeten passeren, dat zal hun worst wezen. Logisch ook, want met hun passeerbeweging zorgen zij altijd voor dreiging, en daarom worden ze ook als bepalende spelers gezien. Opvallend aan dit soort spelers is ook dat zij er niet mee zitten als een passeerbeweging mislukt. Zij gaan er simpelweg van uit dat het de volgende keer wel lukt, een instelling die van een positieve wedstrijdmentaliteit getuigt.”

(Jeffrey Wijnberg, Voetbal is psychologie – waarom winnen en verliezen tussen de oren zit, Uitgeverij Scriptum, 2014, blz 73-76)