Close

May 3, 2014

Voetbalwoordenboek: “De Kromme”, “kromme bal”

dekromme

“kromme bal

Pass die in een horizontale boog langs één of meer tegenstanders gaat. Met buiten- of binnenkant van de wreef getrapt.

De meester der ‘kromme ballen’ is Willem van Hanegem, zelf De Kromme genoemd. In een boekje van Kees Jansma uit 1975 over Van Hanegem zegt de maestro dat hij trots was op die bijnaam. ‘Want als ik mezelf zie voetballen en schieten, dan ben ik inderdaad een “Kromme”. Ik raak de bal niet met de wreef, althans lang niet altijd. Ik raak hem vaak met de buitenkant van mijn linkerschoen. En dan krijgt die bal de meest vreemde bochten en banen. En het meest vreemde effect.’ [blz 53] Van Hanegem zegt dat de sportjournalist Maarten de Vos die bijnaam had uitgevonden. Zowel wat de herkomst van de bijnaan als wat de betekenis ervan betreft, bestaat er echter een meer authentieke verklaring van De Vos zelf. In de biografie Willem van Hanegem, De Kromme (1978) schrijft deze: ‘Ik mag zo onbescheiden zijn te memoreren dat ik deze naam heb geïntroduceerd. Dat ging zo: ik zat met Truus (de toen landelijk bekende vrouw van Willem; RS) te praten over Willem, toen ik het had over zijn gebogen manier van lopen, een stijl die op het lelijke af is. “Hij loopt haast net zo krom als hij zijn passes geeft”, zei ik. Daarop antwoordde Truus: “Als-ie vroeger in de speeltuin aan het voetballen was, noemden ze hem al Kromme”. Ik: “Dan zorg ik ervoor dat heel Nederland hem straks zo noemt”. En zo geschiedde. [blz 24]”

(Rob Siekmann en Frans Duivis, “Voetbal !”, Uitgeverij Het Spectrum 2000, blz 100-101)

“In zijn eerste seizoen bij Feyenoord werd Willem in de stadsderby tegen Sparta (april 1969, 2-1) gestuit door Miel Pijs. ‘Die blokte mij en ik stierf van de pijn in m’n linkervoet, maar ik ben doorgegaan, dat wilde Feyenoord en dat wilde ik, want we waren op weg naar het kampioenschap’.

Van Hanegem bleek twee tenen te hebben gebroken, de grote en die ernaast. De voet ging niet in het gips, maar in een grotere schoen. Die haalde hij bij Bob Janse, de trainer van Excelsior die ook een sportzaak in Kralingen had. ‘Ik geloof dat het bijna maat 48 was, terwijl ik eigenlijk 44 had. Die zere voet kon vrij bewegen in die grote schoen waardoor de pijn minder was. Voor de wedstrijd kreeg ik vijf spuiten en in de rust nog eens twee. Als de verdoving was uitgewerkt, kwam de pijn opzetten en ‘s avonds was die vaak niet te harden. Dan ging ik buiten met m’n blote voet in het natte gras staan. Anders hield ik het niet. Het deed zo allejezus pijn’.

En nu?

‘Ik kan ze bewegen, maar niet buigen. Die tenen zijn helemaal vergroeid. En ze zijn gevoelig als ‘t gaat regenen’.

Omdat hij stijf éénbenig was, bleef Van Hanegem hardnekkig trappen met links. Heeft hij dan nooit gepoogd dat rechterbeen te oefenen?

‘Jawel, ik heb het geprobeerd, schieten met rechts, maar het werd niks, Het ging zo onbeholpen, het zag er zo spastisch uit dat ik er snel mee ben gestopt. Het sloeg nergens op’.

En daarom voetbalde Willem zijn eerste seizoen bij Feyenoord uit met een veel te grote schoen. Ging dat niet ten koste van het balgevoel?

‘Juist niet. Heel gek, maar ik ging de bal veel preciezer trappen. Met de buitenkant, omdat ik in die grote schoen daar het best contact met de bal kon maken. Elke dag trapte ik op de training alleen maar met de buitenkant. Het werd een vanzelfsprekend iets. Ik kwam erachter dat je met die buitenkant eigenlijk veel meer kunt dan met de binnenkant.

Met je kleine teen kun je beter onder de bal komen dan met je grote, want die is dikker, logger, zit meer in de weg. Ik merkte dat ik de bal met de buitenkant kon neerleggen waar ik wilde. En ook hoe ik wilde , met zijwaarts effect, met tegeneffect. Omdat ik zo fijn onder de bal kon komen, net als met biljarten. En met de buitenkant kon je ‘m ook lekker zacht raken, voor een subtiel passje, een balletje met veel gevoel’.

Toch gek dat zo’n goeie voetballer die zo vaak traint niks met z’n zwakke been kan. Voor Van Hanegem was het geen probleem, maar ziet hij de rechtspoot Van Bommel krampachtig draaien om de bal maar voor zijn rechter te krijgen, wat denkt hij dan?

‘Dsat dat er toch wel armoedig uitziet. Maar ik hoefde niet te draaien, omdat ik ‘m zo makkelijk met de buitenkant kon spelen’.

Binnenkant links, buitenkant links, was Van Hanegem eigenlijk niet gewoon tweebenig?

‘In wezen wel, ja’.

Die tweebenigheid is dus min of meer bij toeval ontstaan. De kromme bal, Van Hanegems handelsmerk, is uit nood geboren, vanwege twee gebroken tenen. De Kromme grinnikt. Heeft hij niet beweerd dat toeval vaak bepaalt hoe er wordt gevoetbald? Een speler trapt zoals het lekker voelt, een elftal speelt zoals het uitkomt.

Het WK in West-Duitsland, waar Van Hanegem vaak op teruggrijpt als hij iets uit wil leggen, was het mooiste voorbeeld. ‘Ik speelde zo’n beetje alles met de buitenkant, vaak op Cruijff. En we speelden dominant, op de helft van de tegenstander, die joegen we op, want daar hadden we cde spelers voor. We vielen met z’n allen aan en we verdedigden met z’n allen, want daar hadden we de spelers voor. We namen elkaars positie over, want daar hadden we de spelers voor.”

(Jaap Visser en Wessel Penning, “Willem gaat diep – In tien gesprekken”, Kick uitgevers, Rotterdam / Uitgeverij Carrera, Amsterdam, 2012, blz 38-40)

Literatuur:

“Willem van Hanegem – voetballessen in techniek, taktiek en… kromme ballen”, Samenstelling: Willem van Hanegem en Cees Jansma, De Gooise Uitgeverij, Bussum 1974

Willem van Hanegem, Wil van der Smagt, Maarten de Vos, Anton Witkamp en Peter Zeylmaker, “Willem van Hanegem”, Uitgeverij Teleboek, Amsterdam 1978

Johan Derksen en Matty Verkamman, “Willem van Hanegem”, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen en Uitgeverij De Buitenspelers, 2009