Close

May 11, 2014

Tonny van Leeuwen en de “cornerinterland”

tonnyvanleeuwen

“Piet Fransen speelde in maart 1966 zijn laatste interland. Hij was dikwijls met Van Leeuwen naar de trainingen in Zeist gereden. ‘Dan was hij nooit zichzelf. Puur door de spanning. Hij gaf het ook toe. Tonny durfde het gewoon niet aan om met die grote jongens te spelen. Ik zei steeds tegen hem: “Schei toch uit. Je bent uitgenodigd, dus behoor je tot de achttien beste voetballers van het land.” Maar hij was hyper- en hypernerveus.’

Voorheen keken de bondscoaches hoogstzelden om naar voetballers uit de provincie. Met de komst van George Kessler veranderde dat. Hij had vertrouwen in Van Leeuwen, die hij ‘zo betrouwbaar als de Engelse bank’ noemde, en wilde hem al eerder laten debuteren, tegen Oostenrijk. Maar hij zag ook de zenuwen in de ogen van de jonge doelman en gaf te elfder ure de voorkeur aan Eddy Pieters Graafland van Feyenoord. Daarover zei de keuzeheer ruim dertig jaar later in het maandblad Johan: ‘In de kleedkamer zat hij stilletjes in een hoekje. Dat was niets voor Van Leeuwen, een vent met een geweldige uitstraling. Hij stond bekend als een sfeermaker. Hij was het uithangschild van GVAV. Van Leeuwen had zomaar Mister Holland kunnen zijn. Als zo’n kerel in de kleedkamer niet dominant aanwezig is, weet je dat hij iets mankeert.’

De wedstrijd tegen Oost-Duitsland ging de geschiedenis in als ‘de cornerinterland’. Johan Cruijff was geschorst. Jan Mulder stond in de spits, met Piet Keizer en Sjaak Swart op de flanken. Binnen elf minuten zorgden Mulder, die net als Van Leeuwen debuteerde, en Keizer voor een comfortabele voorsprong. In de tweede helft stortte Oranje echter als een kaartenhuis in elkaar. Verdedigend klopte er niets meer van. Er werden elf hoekschoppen weggegeven, waarvan er drie een doelpunt tot gevolg hadden. Hoewel de PSV-verdedigers Daan Schrijvers, Peter Kemper en Miel Pijs een zwakke indruk maakten en de Ajacied Wim Suurbier te jong was om zich in zijn derde interland te laten gelden, werd de 4-3 nederlaag geheel op het conto van de onzekere keeper geschreven. Thuis voor de buis zag Fransen het met lede ogen aan. ‘Ik voelde dat er wat met hem gebeurde. Tonny miste de brutaliteit die hij bij ons wel had, Het hele strafschopgebied was altijd voor hem. Maar in Leipzig had hij niet het lef om Schrijvers, Kemper of wie dan ook op zijn plaats te zetten bij die corners. En toen ging-ie in de fout, door die kloteballen. Zou bij ons nooit gebeurd zijn, want Tonny was de baas. Als hij een brul gaf en je was toch nog zo brutaal om het kopduel aan te gaan, nam hij je mee ook.’”

(Yoeri van den Busken, “De tragedies”, De Nationale Voetbalbibliotheek 02, Uitgeverij de Boekenmakers, Eindhoven 2008, blz 145-146)