Close

May 2, 2014

Inconsistenties in de buitenspelregel

Een speler wordt voor zijn buitenspelpositie o.a. bestraft indien hij, naar het oordeel van de scheidsrechter, actief bij het spel betrokken is door “een tegenstander in diens spel te beïnvloeden” (spelregel 11, “Buitenspel”).

“Een tegenstander in diens spel beïnvloeden” betekent voorkomen dat een tegenstander de bal kan spelen of in staat is te spelen door duidelijk het gezichtsveld of de bewegingen van de tegenstander te blokkeren of het maken van een gebaar of beweging die, naar het oordeel van de scheidsrechter, een tegenstander misleidt of afleidt (Interpretatie – “Definitie” – bij spelregel 11),

Dat levert strafbaar, zogenaamd hinderlijk buitenspel op. Het is een “strafbare” overtreding echter niet in tuchtrechtelijke zin zoals bij de overtredingen van regel 12. Stanley Lover (Association Football Match Control, 1978, blz. 27; Soccer Rules Explained, 2005, blz. 27) betitelt de buitenspelregel dan ook als een “technische” regel.

Het is niet alleen vooral strafbaar buitenspel, wanneer een speler ingrijpt in het spel door het spelen of raken van de bal (spelregel 11 en Interpretatie – “Definitie”), maar ook als hij interfereert met een tegenstander zonder de bal te spelen of te raken. Hij is dan indirect bij de spelsituatie betrokken. De aandacht van de doelverdediger van de tegenpartij kan bijvoorbeeld door de actieve aanwezigheid van de aanvaller worden afgeleid, waardoor het voor deze moeilijker wordt zich te concentreren op het stoppen van een schot, laat staan dat aan hem zijn gezichtsveld wordt ontnomen door de aanvaller.

De buitenspelregel is wat de beïnvloeding van een tegenstander in diens spel betreft positioneel zowel als intentioneel van aard. Ontbreekt die intentie dan is de positie onvoldoende om van strafbaar buitenspel te kunnen spreken. Hoewel een aanvaller in zulke situaties niet “onside” staan, zijn ze toch niet (strafbaar) offside.Die intentie is overigens gematerialiseerd in bepaalde gedragingen van de aanvaller in buitenspelpositie.

Is dat bij verdedigers omgekeerd ook het geval? Telt een verdediger die niet bij de spelsituatie betrokken is, daar te ver van afstaat dus niet mee om te bepalen of de aanvaller zich al dan niet in buitenspelpositie bevindt?

Volgens de spelregel moet de aanvaller om zich niet in buitenspelpositie te bevinden zich – op de vijandelijke speelhelft – niet dichter bij de doellijn van de tegenpartij bevinden dan de bal en de voorlaatste tegenstander.

Indien nu tenminste één van die tegenstanders niet : “hinderlijk” staat, omdat hij het spel niet beïnvloedt, dan zou de aanvaller buitenspel en strafbaar zijn zodra hij ingrijpt in het spel of het spel beïnvloedt dan wel voordeel trekt uit zijn positie. (Dit laatste betekent het spelen van de bal die terugkomt van de doelpaal, de doellat of een tegenstander; spelregel 11 en Interpretatie – “”Definitie”)

Van het zogenaamde “opheffen van buitenspel” door een of meer verdedigers die achter hun verdedigingsllnie zijn blijven hangen, dus niet meer op één lijn staan met hun medeverdedigers, zou geen sprake zijn, indien ze niet hinderlijk staan! Ze onttrekken zich niet aan het spel om daar voordeel uit te halen evenmin als aanvallers dat doen wanneer ze niet ingrijpen in het spel of dat beïnvloeden. In dit soort situaties staan aanvallers en verdedigers letterlijk “buitenspel”, dus niet hinderlijk.

Dit is daarom een pleidooi voor de gelijkberechtiging, de gelijke behandeling van aanvallers en verdedigers.

Met betrekking tot de geldende buitenspel vallen nog meer en andere inconsistenties op te merken.

– Een speler bevindt zich in buitenspelpositie indien hij dichter bij de doellijn van de tegenstander is dan de bal en de voorlaatste tegenstander.

Deze bepaling in spelregel 11 leidt ertoe dat, wanneer de
keeper zich voorbij de aanvaller bevindt en die aanvaller nog maar één tegenstander voor zich heeft op het moment dat de bal wordt geraakt of gespeeld door een medespeler, die aanvaller strafbaar buitenspel staat.
Dat is onbillijk, want qua spelsituatie profiteert de aanvaller niet bewust van die positie, hij “grijpt niet in in het spel” wanneer hij de bal speelt of raakt. Het is immers
de doelman die zich zo ver uit zijn doel heeft begeven dat
hij buiten de spelsituatie is geraakt!

– “Teruglopen uit buitenspel”: op het moment dat de bal in zijn richting wordt gespeeld, bevindt de aanvaller zich in strafbare buitenspelpositie, maar hij neemt de bal pas aan terwijl hij weer “onside” is.Dat kan ook na een breedtepass gebeuren. Dit zou niet strafbaar moeten zijn, omdat de aanvaller positioneel geen voordeel heeft ten nadele van de verdedigende partij.

– Een speler bevindt zich niet in buitenspelpositie indien hij gelijk staat met de tegenstander(s). Hij moet dichter bij de doellijn van de tegenpartij zijn dan de voorlaatste tegenstander. “Dichter bij de doellijn van de tegenpartij”betekent dat enig deel van hoofd, lichaam of voeten dichter bij is; de armen zijn hierbij niet inbegrepen (spelregel 11 en Interpretatie – “Definitie”).

Als de voeten gelijk staan, dan is dat toch voldoende om niet in buitenspelpositie te staan? De voeten (of voorste voet) bepalen (bepaalt) toch de positie in het veld? Vgl, regel 15 (“De inworp”): “Op het moment van inwerpen geldt voor de inwerper dat hij met een gedeelte van elke voet op of achter de zijlijn staat.” En: “De doelverdediger van de verdedigende partij moet, totdat de bal is getrapt, op de doellijn tussen de palen blijven […]” (spelregel 14, “De strafschop”).