Close

April 29, 2014

Roeien is een paradoxale sport

“Roeien is in meerdere opzichten een sport van fundamentele paradoxen. Het begint er al mee dat een wedstrijdacht – voortbewogen door ongewoon lange en fysiek sterke mannen of vrouwen – onder bevel staat en anngestuurd en bestuurd wordt door de kleinste en minst krachtige inzittende. De stuur (tegenwoordig ook bij mannenploegen veelal een vrouw) moet voldoende ruggegraat hebben om mannen en vrouwen die twee keer zo groot zijn recht in de ogen te durven kijken en hun commando’s toe te blaffen, in het volste vertrouwen dat de kolossen de instructies direct en zonder morren zullen opvolgen. Het is misschien wel de meest onlogische combinatie die de sportwereld kent.

Een andere paradox ligt verborgen in de mechanica van de sport. Het doel van de hele onderneming is uiteraard om de boot zo snel mogelijk door het water te laten gaan. Maar hoe sneller de boot gaat, des te moeilijker het wordt om goed te blijven roeien. De extreem complexe opeenvolging van bewegingen, die een roeier stuk voor stuk met grote pressie moet uitvoeren, wordt exponentieel lastiger naarmate het tempo toeneemt. Roeien in een tempo van zesendertig slagen per minuut is een veel zwaardere opgave dan roeien in een ritme van zesentwintig slagen. Naarmate het tempo hoger wordt, worden fouten – een riem die het water een fractie te vroeg of te laat betreedt, bijvoorbeeld – steeds genadelozer afgestraft, en de kans op rampen steeds groter. Tegelijkertijd maakt de inspanning die nodig is om een hoog tempo te kunnen handhaven de fysieke pijn nog vernietigender, wat de kans op een miskleun nog verder vergroot. Zo bezien is snelheid zowel het ultieme doel van de roeier als diens grootste vijand. Anders geformuleerd, mooi en effectief roeien betekent vaak pijn lijden. […]

Maar de grootste paradox van de sport heeft te maken met het psychologische profiel van de personen die aan de riemen trekken. Grote roeiers en roeisters zijn per definitie vaten vol tegenstrijdigheden – van olie en water, van vuur en aarde. Aan de ene kant moeten ze over een enorm zelfvertrouwen, een sterk ego en kolossale wilskracht beschikken. Ze moeten ook ongevoelig zijn voor tegenslag. Zonder een rotsvast geloof in zichzelf – in zijn of haar vermogen om ontberingen te verdragen en tegenslagen te overwinnen – zal waarschijnlijk niemand zelfs maar overwegen zich aan zoiets vermetels als roeien op het allerhoogste niveau te wagen. De sport biedt zo veel gelegenheid tot lijden en en zo weinig kansen op roem dat alleen de allerkoppigste, onafhankelijke en van doorzettingsvermogen en zelfmotivatie bulkende roeiers een kans maken. Tegelijkertijd geldt, en dit is cruciaal, dat geen andere sport het volledig opzij zetten van het eigen ik zo afdwingt en beloont als roeien. Grote ploegen mogen dan uit uitzonderlijk getalenteerde of sterke mannen of vrouwen bestaan en uitmuntende stuurlieden, slagroeiers of boegroeiers aan boord hebben, naar sterren zul je onder hen vergeefs zoeken. De teamprestatie – het volmaakt gesynchroniseerde vloeiende samenspel van spieren, riemen, boot en water, de eensgezinde, complete, gebundelde en schitterende symfonie die een roeiploeg in beweging wordt – is het enige wat telt. Niet het individu, niet het eigen ik.”

(Daniel James Brown, De jongens in de boot – De legendarische acht van 1936, Uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam 2013, blz 227-228)