Close

March 6, 2014

Voetbaltaal: het verschijnsel “angstgegner” onder de loep

angstgegner

“De voetbalsport, van oorsprong een Britse uitvinding, kent veel Engelse termen: goal, keeper, corner, penalty, free kick, pass, noem maar op. De Duitse taal heeft echter ook prachtige voetbaltermen voortgebracht. Denk aan Anschlusstor (tegenwoordig vernederlandst tot ‘aansluitingstreffer’), Dreh- und Angelpunkt, Laufpensum en Schwalbe. En, een hele mooie, Angstgegner. Daar bestaat zelfs niet eens een Nederlands equivalent voor; wel schrijven we het tegenwoordig gewoon met een kleine “a”.

Het verschijnsel angstgegner vormt een merkwaardig voetbalmysterie. Waarom heeft een club grote moeite met een bepaalde tegenstander?

[…]

Waarom heeft het Nederlands elftal altijd grote moeite met Portugal? Wat […] maakt een tegenstander tot angstgegner?

[…]

[H]et angstgegnerschap [hoeft] geen onveranderlijk fenomeen te zijn. Een paar fijne overwinningen kunnen het tij doen keren en de angst voor een bepaalde tegenstander laten wegebben. Vroeger had Ajax dan ook andere angstgegners en was de wedstrijd tegen FC Utrecht een doorsneeduel.

[…]

Het Nederlandse voetbal kent ook een merkwaardige angstgegner-driehoek, die van Ajax-Feyenoord-PSV. Ajax heeft het vaak lastig tegen PSV, PSV gaat regelmatig tegen Feyenoord onderuit en Feyenoord heeft altijd moeite met Ajax.

[…]

Als je het slagveld overziet, dan is duidelijk dat er verschillende soorten angstgegners bestaan. Er zijn angstgegners die op papier lager aangeslagen moeten worden, maar in de praktijk een onneembare horde blijken te zijn. Er zijn angstgegners van min of meer gelijk niveau waartegen het altijd ontzettend lastig spelen is. Er zijn ook angstgegners van hoger niveau waartegen het vrijwel nooit lukt om te winnen.

[…]

Het angstgegnerschap kan [niet alleen] collectief, maar ook individueel beleefd worden. Jan Mulder bijvoorbeeld speelde niet graag in Haarlem, maar Johnny Rep had er geen moeite mee.

[…]

Zoals gezegd, kan een angstgegner ontstaan doordat een team het traditioneel moeilijk heeft met een speelwijze die in de clubcultuur van de tegenstander verankerd ligt.”

(Guido Derksen, Voetbalmysteries opgelost, Voetbal International, Gouda 213, blz 221, 222, 227, 231, 232. 233)

Commentaar

Angstgegners (wat zou een aanvaardbare Nederlandse vertaling zijn? “angsttegenstanders”,“vreesopponenten”? Dat klinkt niet erg fraai en vertrouwd!) zijn geen tegenpartijen die in de competitie gemiddeld structureel sterker zijn. Toen Sparta Rotterdam nog in de Eredivisie speelde vormde Feyenoord bijvoorbeeld geen angstgegner. Normaliter werd door de Kasteelheren van Feyenoord verloren, uit en thuis. Excelsior is dat wel geworden voor Sparta in duels om promotie/degradatie, lijfsbehoud. In het Voetbalwoordenboek (Prisma-boeken 1834, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen1978) heb ik destijds de term Angstgegner (toen nog met een hoofdletter “A” gespeld) dan ook als volgt omschreven: “Een club waarvan[/waartegen] een andere (normaliter) sterkere club vaak onverwacht verloren of gelijkgespeeld heeft en die daarom wordt gevreesd.”(blz 15). Als angstgegner “alles” kan betekenen (drie opties: zwak beter dan sterk, sterk beter dan zwak en tussen gelijkwaardige ploegen) dan verliest het begrip logischerwijze zijn onderscheidend vermogen. Angstgegnerschap houdt een verwachtingspatroon in dat je normaliter niet zou verwachten.

Het omderscheid maken tussen individueel en collectief angstgegnerschap is innovatief. Angstgegnerschap is van origine een collectieve aangelegenheid. Van club tegenover club. Het zou dus ook individueel kunnen zijn:

– van een speler tegenover een bepaalde club, of ook zelfs

– van speler tegenover speler. Een bepaalde buitenspeler

kan dan bijvoorbeeld altijd slecht spelen tegen een bepaalde back, hoewel de aanvaller gemiddeld duidelijk de betere voetballer is.