Close

March 11, 2014

Voetbaltaal en tactiek: het forceren van een strafschop

“Komen we bij het forceren van een strafschop. Er zijn voetballers die daarop inspelen. Ik heb daar geen probleem mee, zolang het maar binnen de regels en op basis van fair play gebeurt. Meestal zijn het acties die met hoge snelheid vanuit het middenveld worden ingezet en die heel moeilijk te verdedigen zijn. Spelers als Johan Neeskens, Fank Arnesen en Sören Lerby waren daar vroeger meesters in.

Een ander goed voorbeeld is de strafschop die ik tijdens de WK-finale in 1974 tegen West-Duitsland forceerde. Vanaf het middenveld ging ik dribbelend met de bal naar voren, vlak voor het strafschopgebied kwam de versnelling, waarbij ik de bal even opwipte en de verdediger kort probeerde te passeren. Door de snelheid die ik op dat moment had, moest een verdediger bij zijn actie absoluut de bal raken, anders had hij een probleem.

Dat bleek ook. Mijn Duitse tegenstander (Uli Hoeness) miste de bal, raakte mijn been en vanwege mijn snelheid ging ik finaal onderuit. Dus een echte overtreding en geen gesimuleerde, zoals we helaas steeds vaker zien. Theater waar ik een vreselijke hekel aan heb. Wat dat betreft mogen de spelregels van mij zo worden aangepast dat iemand die zich bewust laat vallen met een rode kaart wordt bestraft.

Los van de vraag of zo’n regel er ook komt, brengt een sliding in een strafschopgebied een groot risico met zich mee. Probeer het tot een minimum te beperken en voer het alleen uit als je honderd procent zeker weet dat je de bal kunt spelen. Zo niet, dan vrààg je gewoon om een strafschop en moet je ook niet zeuren als je door een aanvaller in de maling wordt genomen. Als verdediger heb je in het zestienmetergebied alleen te zorgen dat je de man en de bal voor je houdt. Dat is de regel.”

(Johan Cruijff, “Voetbal”, Opgetekend door Jaap de Groot, Cruyff Library 2012, blz. 78-79)