Close

March 18, 2014

De “triple punishment rule” juridisch geanalyseerd

triplepunishment

De KNVB heeft middels een statement gereageerd op de uitbarsting van Marco van Basten* en hoopt daarmee enige duidelijkheid te scheppen. “Spelers die een tegenstander op onreglementaire wijze een directe scoringskans ontnemen, worden op drie manieren gestraft. Het ontnemen van een scoringskans leidt namelijk tot een penalty, een rode kaart en een schorsing”, meldt de KNVB. “De IFAB, de spelregelcommissie, heeft deze regel in het verleden zo bepaald. Onlangs heeft de UEFA bij de IFAB een verzoek ingediend om deze zogeheten triple punishment rule aan te passen. In de optiek van de UEFA volstaat een gele kaart bij een dergelijk vergrijp. De IFAB hield echter voet bij stuk en blijft achter de driestraf staan”, schrijft de KNVB. “Deze commissie heeft het vraagstuk wel bij twee speciale panels neergelegd. die zich ook over het onderwerp gaan buigen.” De KNVB zegt zich verder wel te kunnen voorstellen dat de drievoudige straf gevoelsmatig een zware beslissing kan zijn. De KNVB wacht het advies van de twee panels binnen de FIFA af.

Commentaar

In 2005 schreef Stanley Lover in zijn boek “Soccer Rules Explained” het volgende: “In recent years a trend towards deliberate handling, to deny opponents a clear goal-scoring opportunity, caused the International Board to decide, in 1991, that this offence should be classed as serious foul play requiring the referee to dismiss the offender (sending off offence 4). This decision was a logical extension of another decision, announced in 1990, that a player who intentionally impedes an opponent and denies his team an obvious goal-scoring opportunity must be dismissed (sending-off offence 5).” De overige 4 van de 7 sending-off offences zijn volgens de spelregels: serious foul play [het is dus strikt gesproken onjuist dat de beide genoemde “driestraffen” (wegens hands en anderszins) “ernstig gemeen spel” zijn zoals het in de officiele Nederlandse vertaling luidt. In de nadere uitleg wat onder “serious foul play” dient te worden verstaan, komen de “driestraffen” dan ook logischerwijs niet terug, ze worden niet herhaald], violent conduct, spitting at an opponent or any other person, using offensive, insulting or abusive language and/or gestures, en receiving a second caution in the same match (rood na tweede gele kaart).

We moeten dus nu zo’n kwart eeuw terug om de herkomst van de “triple punishment rule” te achterhalen. Maar nog altijd hebben coaches er kennelijk moeite mee deze regel te aanvaarden. Het kan ook zijn dat het bestaan van de regel nog altijd onvoldoende is doorgedrongen tot het corps. De spelregelkennis houdt – met alle respect – niet over onder pers, publiek en media. En het komt wel vaker voor dat regels en recht niet geinternaliseerd wordt door direct betrokkenen en anderen, omdat ze een regel gewoonweg onredelijk of zelfs onrechtvaardig blijven vinden. Zo kennelijk ook hier. De straf zou te zwaar zijn.

De regel werd overigens ingevoerd in een tijd dat spelbederf en spelverruwing aan de orde van de dag waren in het beroepsvoetbal. De “driestraffen” bedoelen uiteraad spelbederf te bestrijden, een term die je overigens niet vaak meer hoort in het voetbaljargon. Het voorbeeld bij uitstek van spelverruwing was de tackle van achteren op de enkels van de aanvaller, waarbij door de verdediger niet echt gepoogd werd de bal te spelen. In feite werd de man in plaats van de bal gespeeld. Ook daar werden toen, in 1990, maatregelen tegen genomen.

In dit verband is het interessant het historisch perspectief nog wat te verbreden. In het seizoen 1881-1882, toen de strafschop nog niet bestond (die werd in 1891 ingevoerd op voorstel van de Ierse voetbalbond), kreeg de scheidsrechter bij wijze van experiment het recht een doelpunt toe te kennen indien hij vond dat het een doelpunt zou zijn geweest, ware het niet dat dat door het maken van opzettelijk hands door een verdediger was verhinderd. Deze “juridische fictie” was echter geen succes en werd na een seizoen weer afgeschaft (een andere zodanige fictie is bijvoorbeeld dat de scheidsrechter een “dood element” is wanneer hij in aanraking komt met de bal; we doen net alsof hij lucht is…). Ook toen al was deze exceptionele straf, van het schijndoelpunt, gericht tegen de uitwassen van het voetbalspel. In “The History of the Laws of the Game of Association Football” (1974) schreven Sir Stanley Rous en Donald Ford over reeds een eeuw eerder (1890) dat “Football had, by this time, become a livelihood for some of the players, and the number of professional players grew rapidly after their legalisation by the Football Association in 1885. By 1891 there were about a thousand paid players in England […]. As ‘professors of the game’, they became very skilful in controlling the ball and in combination moves, but their chief aim and purpose was to win matches, which meant, on occasion, the prevention of goals, by fair means or foul.”
Wat leert nadere analyse van de “driestraf” eigenlijk? Ten eerste dat deze straf slechts voor tweederde deel de overtreder betreft: rode kaart + schorsing. Het derde deel is gericht tegen zijn ploeg, die een strafschop tegen krijgt.

Dat is bovendien een spelstraf, anders dan de rode kaart plus de tuchtrechtelijke uitsluiting voor een of meer toekomstige wedstrijden in dezelfde competitie. Dat zijn echte op de persoon van de speler gerichte straffen, maar die worden ook evengoed los van verhinderde doelkansen opgelegd. Dat zijn dan ook driestraffen (directe vrije schop tegen + uitsluiting + schorsing).

Het onevenredig zware van de straf, waartegen niet alleen Michel Platini (UEFA) maar ook Theo van Seggelen, namens de wereldspelersvakbond FIFPro, op zichzelf beschouwd niet helemaal onterecht ageert, zit hem in het feit dat de overtreding niet met “geel”, maar meteen maar met “rood” wordt bestraft. Het zit hem niet zozeer in het “triple” gehalte van de straf, al lijkt dat wel zo door de gekozen terminologie. Zelfs indien de overtreding normaliter – onder andere omstandigheden –  alleen met een directe vrije schop of strafschop zou worden bestraft, wordt de rode kaart getrokken. Opvallend is dat kennelijk niemand er bezwaar tegen heeft dat opzettelijk hands meteen een rode kaart oplevert in zo’n situatie voor het doel! Maar hands is dan ook hands of niet; een beetje hands kan niet. Er bestaat – zoals bij de op de tegenstander gerichte overtredingen –  geen gradatie in a) onzorgvuldigheid (alleen vrije schop/strafschop tegen), b) roekeloosheid (plus gele kaart), en c) buitensporig hard spel (plus rode kaart).

Maar waarom wordt er dan toch meteen “rood” getrokken bij de “driestraf”? Dat is juist om “professionele” overtredingen van het type spelbederf tegen te gaan waarbij goal (duidelijke doelkans) of geen goal meteen in het geding is. Je kunt natuurlijk voortaan met “geel” gaan bestraffen, ook als de overtreding slechts een lichte is die normaliter elders op het veld slechts met een indirecte vrije schop zou worden bestraft. Dan nog is er in dat geval een afwijking van wat normaliter geldt. En is er trouwens ook dan nog  sprake van een “driestraf”: directe vrije schop tegen + gele kaart + een bijdrage aan de opbouw van het strafdossier van de speler dat hem bijvoorbeeld – zoals in ons land – bij de vijfde gele kaart in een seizoen een schorsng voor een of meer wedstrijden oplevert. Van een “driestraf” is dus eigenlijk ook in alle andere zodanige gevallen sprake wanneer het niet om een duidelijke doelkans gaat.

Het is bovendien niet juist om van een “driestraf” te spreken, omdat IFAB alleen zeggenschap heeft over een “tweestraf”. Het spelregelorgaan mag zich niet bemoeien met de tuchtrechtelijke regels die in een competitie gelden. Dat is de bevoegdheid vsan de organiserende bond of League dan wel internationale voetbslfederatie zoals UEFA en FIFA (Champions en Europa League voor clubs, wereldbeker enz.voor nationale landenteams). Je zou gele en rode kaart in principe dus altijd nationaal onbestraft kunnen laten: al genoeg straf, want strafschop tegen (zeer grote kans op tegendoelpunt) + sending off (verder spelen met een man minder). Niets verbiedt de KNVB dan ook de rode kaart automatisch om te zetten in een gele. De aanklager kan standaard telkens een verzachtende omstandigheid laten gelden: de rode kaart was terecht volgens de spelregels, de speler moest dus uit het veld worden gestuurd, maar hij wordt achteraf niet gestraft zwaarder dan indien hij slechts een gele kaart zou hebben gekregen (tenzij hij ook een heel zware overtreding had begaan). Als de overtreding licht was (dus geen “geel”), kan de speler zelfs helemaal vrij uit gaan achteraf: de “driestraf” wordt dan in feite een “tweestraf”. De rode kaart wordt geseponeerd.

Het tuchtreglement betaald voetbal in Nederland kan dienovereenkomstig worden gewijzigd. Dat is een nationale aangelegenheid waarover IFAB en FIFA geen directe zeggenschap hebben. Men vergelijke in dit verband dat volgens dat reglement een speler die geen rode kaart heeft gekregen in een wedstrijd, alsnog kan worden geschorst indien de scheidsrechter verklaard de overtreding niet gezien en dus niet beoordeeld te hebben. De aanklager en het tuchtrechtelijk orgaan zijn dan gerechtigd het hiaat op te vullen. Zo zouden ze omgekeerd toch ook bevoegd moeten kunnen worden verklaard in feite een overtreding nader te beoordelen. Wat is immers het geval? Volgens de spelregels zijn arbitrale beslissingen finaal wat de beoordeling van de feiten betreft (zolang het spel niet is hervat). Per definitie is dus alles wat de arbiter niet heeft gezien, althans niet heeft beoordeeld, definitief. Aanklager nog tuchtcommissie zouden daarop terug mogen komen. Echter, op grond van het rapport van de KNVB-waarnemer of tv-beelden kan alsnog vervolging worden ingesteld. Dat is een goede zaak, maar valt alleen te rechtvaardigen in het licht van de doelstelling om spelverruwing en wangedrag zoveel mogelijk te bestrijden. Rechtens is het alleen mogelijk omdat de jurisdictie buiten het veld onafhankelijk is van die binnen het veld. De konsekwenties van de (niet-)beoordeling van de scheidsrechter op het veld tijdens de wedstrijd kunnen namelijk niet meer worden teruggedraaid en veranderd. Geen rode kaart? De speler blijft meedoen uiteraard. Tijdens de wedstrijd kan niet worden ingegrepen van buitenaf; na de wedstrijd kan niet meer worden besloten om de wedstrijd geheel of gedeeltelijk over te spelen. Maar waarom zou de tuchtcommissie een rode kaart niet achteraf kunnen heroverwegen als een onder omstandigheden te zware straf?

Tenslotte: het verwijt van Van Basten dat de scheidsrechters in Nederland worden geindoctrineerd, komt in het licht van het voorgaande eufemistisch gesteld sterk overdreven voor. Ze zijn zogezegd allesbehalve belachelijk bezig. Het moet toch voor iedereen langzamerhand duidelijk zijn dat de International Football Association Board (IFAB of, kortweg, IB) de regels maakt en wijzigt als enige daartoe bevoegde instantie in de voetbalsector wereldwijd. Nederland (KNVB) kan zich daar niet helaas aan onttrekken. Voorlopig blijft het strafschop plus “rood”, maar de KNVB kan wel dat “rood” mitigeren naar “geel” cq het seponeren, al naar gelang de zwaarte van het delict. Het “rood” blijft echter in die gevallen niet seponeerbaar, indien de overtreding excessief ruw was geweest.

P.S. De automatische, standaard omzetting (bij wijze van vervolgingsbeleid) van de rode kaart in een seponering (in geval van een lichte overtreding) of gele kaart (in geval van een zwaardere overtreding, d.w.z. zwaarder dan licht, maar niet zwaar = terechte rode kaart), kan ook extra worden gerechtvaardigd door de overweging dat de rode kaart in feite wordt gezien als een op de persoon toegesneden spelstraf = uitsluiting, naast de strafschop (of: directe vrije schop) die immers ook een spelstraf is (echter, niet een individuele, maar een collectieve tegen het elftal van de overtreder). Dezelfde overweging  zou er natuurlijk ook toe kunnen leiden dat een handsbal in zulke gevallen standaard tot seponering leidt! Deze aanpak ondermijnt niet de oorspronkelijke bedoeling van de “driestraf”: het tegengaan (repressie) en voorkomen (preventie) van spelbederf dat zeer ernstig is, omdat het gaat om het beschermen van een duidelijke doelkans (ook: bijna-goal: “near goal”), m.a.w.aanvallend voetbal dat tot scoren moet kunnen leiden, hetgeen immers het fundamentele doel van het voetbalspel is.

P.S. II Behalve seponering van de “rode kaart” ingeval van een lichte overtreding die tot de strafschop leidt,hetgeen de uitsluiting van de speler tijdens de wedstrijd echter en uiteraard niet te niet kan doen, is er nog een andere optie denkbaar maar alleen als de overtreding binnen het strafschopgebied is begaan: wel een strafschop geven, omdat de overtreding “strafschopwaardig” is, maar die overtreding niet beschouwen als het ontnemen van een duidelijke doelkans, zodat geen rode kaart behoeft te worden gegeven! Buiten het strafschopgebied kan in beginsel hetzelfde worden toegepast. In heel duidelijke gevallen ontkomt de scheidsrechter echter niet aan het geven van een rode kaart zoals met name ingeval van hands (om een doelpunt rechtstreeks te voorkomen) waarop de triple punishment rule immers ook betrekking heeft. In de voetbalspelregels En buiten het strafschopgebied kan ook eenvoudig rood gegeven blijven worden, omdat er slechts een vrije schop er geen strafschop aan vastzit. De extra zware straf die men wenst ter generale preventie van dit soort overtredingen, blijft dan gehandhaafd.

De scheidsrechter moet overigens wel met de volgende punten rekening houden bij zijn beoordeling van de situatie of het om een duidelijke doelkans (of het voorkomen van een doelpunt) gaat: de afstand tussen de overtreding en het doel; de waarschijnlijkheid dat de bal in bezit blijft of komt; de richting van het spel; het aantal en de plaats van de verdedigers; en: de overtreding kan ook een overtreding zijn die met een indirecte vrije schop moet worden bestraft (N.B. zelfs een zeer lichte overtreding (gevaarlijk spel; obstructie, een tegenstander afhouden, “in diens loop belemmeren”, zoals de spelregels zeggen) kan dus een rode kaart tot gevolg hebben! ). “De plaats van de verdedigers” wordt meestal in de praktijk zo uitgelegd dat er tenminste naast (op dezelfde hoogte van) de overtreder geen andere verdediger(s) loop (lopen)t op een afstand die hem (hun) zou hebben toegestaan alsnog in te grijpen, ware de overtreder gepasseerd door de aanvaller in balbezit. Is “rugdekking” mogelijk, dan kan er dus moeilijk sprake zijn van het ontnemen van een duidelijke doelkans. “De afstand tot het doel” betekent niet dat per definitie bijvoorbeeld direct achter de middenlijn geen doelkans kan worden ontnomen, zoals bij een doorbraak waardoor de aanvaller een vrij veld voor zich krijgt en direct riichting (!) doel kan gaan. Zo’n doorbraak vindt normaliter niet op de eigen helft van de aanvaller-in-balbezit plaats, omdat de verdedigers van de tegenpartij de middenlijn “bewaken” vanwege de buitenspelregel (op eigen helft kun de aanvaller nooit strafbaar buitenspel staan. De middenlijn is de enige zichtbare, want statische “buitenspel-lijn”).

Het nieuwe beleid zou er dan als volgt uit zien:
– buiten het strafschopgebied: rode kaart, maar seponeren (geen schorsing) in geval van lichte (onzorgvuldigheid) en zeer lichte
(indirecte vrije schop) overtredingen en in geval van hands. Niet seponeren van rode kaart: zwaardere (roekeloosheid):kaart en zeer zware (buitensporige inzet, gewelddadigheid) overtredingen; zwaardere overtredingen behandelen als gele kaart.
– binnen het strafschopgebied: seponeren: (zeer) lichte overtredingen; roekeloosheid: behandelen als gele kaart; niet seponeren in geval van excessieve inzet, gewelddadigheid; bij minder duidelijke doelkans: geen rode kaart, alleen strafschop; roekeloosheid: gele kaart, excessieve inzet enz. rode kaart; m.a.w.restrictieve uitleg en toepassing van “duidelijke doelkans”.
– in het algemeen: niet een gele i.p.v.rode kaart geven.bij (zeer) lichte overtredingen of hands om de straf af te zwakken!

* Literatuur over Marco van Basten: Johan Faber, Het mysterie Marco – Van Basten, Ajax en Oranje, Uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam 2004; Thomas Blom en Dirk van den Burgh, Tussen de linies – 1000 x Marco van Basten, Uitgeverij Pimento, Amsterdam 2005; Johan Faber, San Marco – De geheimzinnige kracht van de bondscoach, Uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam 2006.