Close

December 27, 2013

Wielersport: klimmertjes, klimmers en krachtklimmers

“Volgens wielerschrijvers Martin Ros en Wout Koster (De Klimmers) kun je drie soorten klimmers onderscheiden: de klimmertjes, de klimmers en de krachtklimmers. De klimmertjes zijn klein van stuk en heel licht. Ze rijden met een ‘kabouterverzet’ en gaan ‘en danseuse’naar boven […].

Vaak hebben die klimmertjes toepasselijke namen als de ‘Vlo van Torrelavega’, ‘de Adelaar van Toledo’ of de ‘Engel van het hooggebergte’. Het beeld van het berggeitje wordt ook vaak gebruikt om deze manier van koersen te karakteriseren. Ze gaan schoksgewijs naar boven als de gems die van rots naar rots springt.

De klimmers in die driedeling kunnen uitstekend uit de voeten in de bergen, maar het zijn geen specialisten. Ze zijn minder licht dan de klimmertjes en hebben vaak lange bovenbenen en een relatief kort bovenlijf. Types als Jan Nolten, Steven Rooks en Hugo Koblet vallen hieronder, en Gesink in zekere zin ook wel. Ze rijden in constant tempo omhoog en dat houden ze verrekte lang vol.

De krachtklimmers zijn de grote renners als Eddy Merckx en Bernard Hinault. Zij gaan op macht naar boven, blijven vaak in het zadel en trekken na de top vaak direct hard door in de afdaling. In tegenstelling tot de echte klimmers en klimmertjes die de afdaling gebruiken om bij te komen. Marianne zwoegt ogenschijnlijk zoals Merckx kon zwoegen. Het liefst op de kop met die karakteristieke knik in de ellebogen. Ze blijft in het zadel zoals Hinault in het zadel bleef zitten. En ze daalt af met doodsverachting. Marianne is een krachtklimmer en dat schept mogelijkheden gezien de voorbeelden van Merckx en Hinault.”

(Jeanine Laudy en Jan Willem Verkiel, Strijd in het vrouwenpeloton – De Giro door de ogen van Marianne Vos en Ellen van Dijk, Uitgeverij Tirion Sport, Utrecht 2013,blz  66)