Close

March 14, 2013

De wielersport, doping en de regels

tylerh

“[…] Bij honkbal en voetbal betekent de competitie stabiliteit voor alle teams. Het profwielrennen, daarentegen, kent een meer darwinistische opzet: ploegen worden gesponsord door grote bedrijven en concurreren met elkaar om aan de belangrijke wedstrijden te mogen meedoen. Er bestaan geen zekerheden: een sponsor kan ermee ophouden, wedstrijdorganisaties kunnen teams weigeren. Het resultaat is een voortdurende nervositeit: sponsoren zijn nerveus omdat ze resultaten nodig hebben. Ploegleiders zijn nerveus omdat ze resultaten nodig hebben. En de renners zijn nerveus omdat ze resultaten nodig hebben om een contract te verdienen.

[…] Wanneer ik spreek met renners uit die tijd of hun verhalen lees, lijkt het een patroon te zijn: degenen van ons die doping gebruikten, begonnen meestal in het derde jaar. eerste jaar: neoprof, opgewonden om erbij te zijn, jonge hond, vol hoop. Tweede jaar, het begint tot je door te dringen. Derde jaar, klaarheid – de tweesprong. Ja of nee. Meedoen of niet meedoen. Iedereen heeft zijn duizend dagen, iedereen heeft zijn keuze.

In bepaalde opzichten is het deprimerend. Maar in andere opzichten is het, denk ik, menselijk. Duizend keer ‘s ochternds vol hoop wakker worden, duizend keer ‘s middags weggereden worden. Duizend dagen paniagua*, waarop je op pijnlijke wijze tegen de grenzen van je kunnen op botst en probeert ze te verleggen. Duizend dagen met signalen die zeggen dat doping oké is, signalen van mensen met macht die je vertrouwt en bewondert, signalen dat ze Alles komt goed en Iedereen doet het zeggen. En op de achtergrond van dat alles de angst dat als je geen manier vindt om harder te fietsen, het gedaan zal zijn met je carrière. Wilskracht kan soms sterk zijn, hij is niet eindeloos. En als je eenmaal de grens hebt overschreden, is er geen weg meer terug.

[…] Ik heb altijd gezegd dat je ons op de beste leugendetector ter wereld had kunnen aansluiten en ons had kunnen vragen of we de zaak beduvelden, en we zouden erdoor zijn gekomen. Niet omdat we het niet helder zagen – we wisten dat we de regels overtraden -, maar omdat we het geen bedrog vonden. Het leek ons eerlijk om de regels te overtreden, omdat we wisten dat de anderen het ook deden.”

(Tyler Hamilton en Daniel Coyle, De wielermaffia – Het onthullende verhaal over doping in het Armstrong-tijdperk, Ambo/Linkeroever Uitgevers, 2012, blz 42, 53 en 99)

* “De etappe reed ik uit in de gruppetto, de verzamelplaats voor niet;klimmers, ziek-zwak-en-misselijken en prutsers. Gefietst werd er nauwelijks; er werd vooral veel geouwehoerd. Op een gegeven moment kwam er een Spanjaard naast me rijden. Hij wees naar voren, naar de groep die ongetwijfeld al tientallen minuten voor ons uit reed en maakte straaljagergeluiden. Hij zei: ‘Die rijden op kerosine. Wij doen het paniagua.’ Paniagua, pani y agua, brood en water. Geen dope, geen goeie spullen, geen Edgar, geen wespen, geen negers, geen Belgische potjes, geen bruine bollen, maar water en brood.” (Thijs Zonneveld, Paniagua en andere sportverhalen, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2013, blz 9)