Close

December 4, 2012

Door de bliksem getroffen tijdens een voetbalwedstrijd

“Vreemd genoeg circuleren er verschillende verhalen over de fatale laatste minuten op sportpark De Weeren. Het duel zou al zijn stilgelegd, de spelers op weg naar de catacomben. Freek Louis, die al vier keer een voetballer op het veld heeft zien sterven, stond achter het doel van Rood Wit/A toen het gebeurde. ‘De wedstrijd was nog aan de gang. Eric trapte een bal uit. Ik zag een lichtflits, hoorde een enorme knal en dat was het. Er liepen net zeven of acht mensen weg ui het strafschopgebied. Dat is nog hun geluk geweest. Het was echt een verschrikking.’

Aanvoerder Rob Stenacker zou meer dan vierhonderd wedstrijden spelen. Tussen 1993 en 2003 was hij voorzitter van DWS. In 2006 keerde hij in die functie terug op interim-basis. Maar in de jaren tachtig kenden de mensen hem nog als degelijke voorstopper van het eerste elftal. ‘Een type Jaap Stam, maar dan met iets minder kwaliteiten,’ Samen met Ron van Niekerk vormde hij het vaste centrale duo. Ze waren snel gewend geraakt aan de nog jeugdige keeper, die flair had en als een echte Amsterdamse jongen in de armen was gesloten. Stenacker en Jongbloed omzeilden altijd handig de oude spelregel waarbij een Dus rolde Jongbloed de bal eerst naar Stenacker. Het ouderwetse tikkie terug bood de keeper vervolgens meer speelruimte. ‘Zo hadden we het al honderd keer gedaan’, zegt Stenacker. ‘Maar nu maakte Eric een uitzondering. Na een hoekschop plukte hij de bal eenvoudig uit de lucht. Uit het niets was het noodweer losgebarsten, met slagregens en hagel. Ik liep al naar hem toe. Maar we hadden de wind mee en Eric wilde de bal ver weg hebben. “Ga maar”, zei hij tegen me, “ik trap wel”. Achteraf betekende dat mijn redding. Daar ben ik blij om, hoe egoïstisch dat ook klinkt. Ron en ik waren net zes, zeven meter bij hem weggelopen. Toen kwam die klap, een verschrikkelijk harde klap. Door de luchtdruk werden we gewoon een paar meter verplaatst. Ik zag een vuurbal over het veld rollen. Een paar seconden lag ik wezenloos op de grond. Daarna begon ik als een gek te rennen. Puur uit angst.’

Twee minuten eerder waren er nog grappen gemaakt over het weer en over het kalende hoofd van Stenacker. Hij vroeg de scheidsrechter of ze niet even moesten stoppen, om de bui te laten overtrekken. ‘Je hebt toch een helm op? Dat water voel je niet’, klonk het jolig vanaf de zijkant, waar de reserves en de begeleidingsstaf zich bevonden. Maar het lachsalvo ging over in afgrijselijk gegil. ‘Dat ging door merg en been. Ik hoor het nog steeds. Je merkte meteen dat die mensen iets afschuwelijks gezien moesten hebben. En ik dramatiseer het niet, maar toen ik omkeek zag ik een rookwolk waar Eric had gestaan. Alsof een illusionist hem had laten verdwijnen’, zegt Stenacker.”

(Yoeri van den Busken, “De tragedies”, De Nationale Voetbalbibliotheek 02, Uitgeverij de Boekenmakers, Eindhoven 2008, blz 96-97)