Close

September 24, 2012

Leen Looijen’s visie op de speelwijze van een elftal

looijen

“‘Afhankelijk van de balbezit-balverlies verhouding moet je er altijd voor zorgen dat je speelt met een 6-4 blok met dus zes verdedigend en vier aanvallend ingestelde spelers, of een 5-5 blok. Ajax speelt anders dan Excelsior. Als je veel beter bent dan je tegenstander, kun je zelfs met zeven aanvallers spelen. Johan Cruijff deed dat wel eens in zijn Barcelona-tijd. Je moet dan alleen wel een uitstekend positiespel beheersen om zo veel mogelijk aan de bal te zijn, maar vooral je restorganisatie in de gaten houden. […]

Als je een goed scoutingapparaat bezit en je hebt als club een vaste speelwijze, dan zoek je daar de spelers bij. Ideaal is dan een dubbele bezetting. Dus is de ene linksback geblesseerd, dan zet je de andere linksback erin. Maar vaak is het bij clubs andersom. Dan moet je door financiële beperkingen maar zien welke spelers je kunt krijgen. In dat geval moet je van een elftal een compositie maken. De beste spelers zet je dan op hun beste positie en de rest moet zich daaraan aanpassen als een vorm van compensatie. Toen Cruijff in zijn nadagen bij Feyenoord speelde, bepaalde hij dat Stanley Brard, eigenlijk een linksback, linksbuiten werd in plaats van de veel aanvallender ingestelde Pierre Vermeulen. Daardoor kwam Cruijff zelf veel beter tot zijn recht.’ Topclubs hebben dus een speelwijze waarbij ze de juiste mensen zoeken, bij kleinere clubs is het vaak precies andersom, oordeelt [Looijen]. ‘Dat geldt bijvoorbeeld ook voor amateurclubs. Als je op dat niveau een goede as hebt – een goede keeper, een leidinggevende centrale verdediger, een aardige middenvelder en een spits die 20 keer scoort – dan wordt je kampioen.[…]

Een ander belangrijk punt in de speelwijze van een elftal, vindt Looijen, is dat het elftal goed staat. Dat is een cliché geworden in het trainersjargon, maar het is we een waarheid als een koe. [Looijen] legt uit: ‘Als je niet goed staat, is het alsof je helemaal geen inzet hebt. Dat komt doordat je in bepaalde situaties net een paar meter tekort komt, waardoor je gek getikt wordt. Je moet vervolgens achter de bal aanlopen, wat veel meer kracht kost dan aan de bal zijn. De bal is nu eenmaal de snelste speler van het veld. Je komt bijna niet in de duels, waardoor het dus lijkt of ze er niks aan doen. De kenner ziet dat, de leek niet. Als je goed staat, als de veldbezetting goed is, dan kun je pas goed positiespel spelen. Een bokser heeft controle over de wedstrijd als hij in het midden van de ring staat. Een voetbalelftal heeft controle als er een goede veldbezetting is, waardoor je een goed positiespel kunt spelen. Een elftal met een goed positiespel kan bij een voorsprong ook gemakkelijker overeind blijven. Dat heeft de wedstrijd dood maken.’”

(Bert Nederlof, “Leen Looijen – Van verliezen leer je winnen”, [2012], pp. 89-90)