Close

September 17, 2012

De “teruggooi-inworp” en het gewoonterecht

“Een interessant voorbeeld van de vraag of er sprake zou zijn van gewoonterecht leveren de voetbalspelregels. Het is gebruikelijk, het wordt als morele verplichting (fair play) ervaren dat een speler die in balbezit is de bal buiten het veld schiet wanneer een tegenstander geblesseerd op de grond ligt en niet verder kan spelen. Het is dan gewoonte, de tegenpartij heeft de sportieve plicht om de bal bij de spelhervatting niet naar een speler van de eigen partij in te gooien, maar terug te gooien naar de andere partij die de bal had uitgeschoten. De partij die de bal mag inwerpen, ontleent dat recht aan het feit dat de tegenpartij de bal buiten het veld had gespeeld, hetgeen een spelovertreding oplevert: de bal dient binnen het speelveld te blijven, anders kan er niet gevoetbald worden.

Wellicht is deze ongeschreven regel eerder ‘soft law’ dan gewoonteplicht en -recht, want de scheidsrechter kan deze ongeschreven regel van fair play niet afdwingen. Of kan hij dat wel door zich innovatief te gaan beroepen op ‘onbehoorlijk gedrag’ (voorheen: ungentlemanly conduct, nu: unsporting behaviour) waarin de spelregels (regel 12) expliciet voorzien, met name wegens het blijk geven van ‘een gebrek aan respect voor het spel’? Het gebruik om de bal terug te gooien berust immers op een gentlemen’s agreement. Maar hoe moet het spel dan worden hervat? Met het laten inwerpen van de bal door de tegenpartij? Daarin voorzien de spelregels niet. Met een directe vrije schop voor de tegenpartij? Dat is niet mogelijk, want de bal is dan niet rechtsgeldig in het spel gebracht. Er zou wel een officiële waarschuwing (gele kaart) aan de inwerper kunnen worden gegeven, wanneer men langs deze lijnen redeneert. Of wordt de overtreding geacht te hebben plaatsgevonden pas op het moment dat de medespeler de bal ontvangt, zodat een vrije trap wel mogelijk zou zijn? Maar wie krijgt dan eventueel de gele kaart: de inwerper of de ontvanger of beiden?

Het komt echter zeer zelden voor – ook in het profvoetbal – dat er ‘verkeerd’ wordt ingeworpen. Doet men dit wel, dan volgt luide afkeuring van tegenstanders en publiek. Het beroemdste voorbeeld van het niet terugwerpen van de bal naar de tegenpartij deed zich op 13 februari 1999 voor tijdens de FA Cupwedstrijd Arsenal tegen Sheffield United, toen Nwankwo Kanu bij zijn debuut voor Arsenal per abuis een dergelijke bal van een medespeler die voor de tegenpartij bedoeld was in bezit nam, voorzette en Marc Overmars daaruit de winnende goal scoorde. Arsenal-manager Arsène Wenger bood daarop aan de wedstrijd over te laten spelen, hetgeen gebeurde. Arsenal won opnieuw met 2-1.

Het gebruik om de bal bij een blessure van een tegenstander uit te schieten staat tegenwoordig echter onder druk, omdat er in het profvoetbal steeds meer van uitgegaan wordt dat het de taak van de scheidsrechter is om het spel stil te leggen. Dat is ook het geval, maar alleen bij ernstige blessures (spelregel 5). Er bestaat dus de tendens om door te spelen bij een blessure van een tegenstander die op het veld ligt. Is hij niet aan het simuleren bijvoorbeeld om het spelritme van de tegenpartij te verstoren? Dat levert overigens ‘onsportief gedrag’ op te bestraffen met een directe vrije trap plus een gele kaart (spelregel 5). De scheidsrechter zal in dat geval echter de voordeelregel hanteren om te voorkomen dat de partij in balbezit door de spelonderbreking de dupe van het onsportieve gedrag wordt.

Overigens gooien de profs de bal niet rechtstreeks terug naar een tegenstander, maar naar een eigen speler die hem dan zo ver mogelijk wegtrapt richting het doel van de tegenpartij of iets dergelijks. Ze willen geen nadeel van de gewoonte ondervinden. Die medespeler zou natuurlijk door de scheidsrechter kunnen worden bestraft voor onsportief gedrag wegens een gebrek aan respect voor het spel.”

NB: Als een ploeg zelf doorvoetbalt terwijl een eigen speler geblesseerd op de grond ligt en als de bal dan vervolgens toch nog wordt uitgetrapt nadat de eigen aanval definitief is mislukt, dan kan van de tegenpartij redelijkerwijs niet verwacht worden dat ze de bal teruggooien. Men prefereert eerst het voordeel van doorspelen boven zorg voor de medespeler, dan is het recht op de terugooi-inworp
verspeeld. Je kunt niet tweemaal voordeel claimen in zulke situaties. Dat is duidelijk onbillijk.