Close

September 5, 2012

De (mentale) weerbaarheid van de voetbalprof

looijen

“[…] weerbaarheid is volgens Leen [Looijen] een uiterst belangrijk begrip.

[…]

Weerbaarheid is wel positief te beïnvloeden, vindt Leen [Looijen]. ‘In de huidige trainersfilosofie worden geen vervelende dingen meer gedaan. Geen niet-voetbalgerichte oefeningen, geen duurlopen meer. Misschien is het wel eens goed dat ze af en toe dingen moeten doen waarbij ze moeten overleven. Ik zie op dit moment spelers in de eredivisie die te zwaar zijn. Ik zal geen namen noemen, maar de fysiotherapeuten van clubs met die spelers moeten leuke oefeningen bedenken om het gewicht van die jongens naar beneden te krijgen. Eigenlijk belachelijk voor eredivisiespelers, maar het is niet anders. Bij Ajax had je vroeger de Bobby Haarms-methode. Bobby ging aan de slag met geblesseerde spelers, liet ze [zich] een ongeluk lopen en [bracht] ze daardoor heel snel weer op gewicht en maakte [ze] fit. Die methode zou tegenwoordig geen kwaad kunnen.’

Leen [Looijen] constateert dat een elftal dat bovenin meedraait veel minder blessures heeft dan een team dat onderin speelt. ’De zogenoemde weerbaarlozen vallen het snelst af. Als de ploeg onderaan komt te staan, haken ze af. Er is een duidelijke samenhang tussen het aantal blessures en de plaats op de ranglijst. Sta je bovenaan, dan is er in jouw team bijna niemand geblesseerd. Het team van Ajax […] begin jaren zeventig dat alles won had vrijwel nooit geblesseerden en speelde bijna altijd met dezelfde elf. Als je vaak de bal hebt, is de kans op blessures nu eenmaal minder groot dan wanneer je minder vaak aan de bal bent. Het is eigenlijk heel simpel: speel de bal gewoon naar iemand met hetzelfde shirt en er kan je bijna niets gebeuren. Maar veel trainers praten vooral eerst over de tegenstander, wie moet dekken, enzovoorts. Dat is het verkeerde uitgangspunt.

Een weerbaar elftal herken je vaak ook aan de manier waarop het na een achterstand terugkomt, oordeelt Looijen. ‘Een team dat acht, negen keer per seizoen terugkomt na een achterstand, is een weerbare ploeg. Daar zitten dus veel weerbare spelers in. Voor teams met spelers met een lage weerbaarheidsgraad die met 1-0 achterkomen, is het meestal meteen gebeurd. Als je op voorsprong komt, ga je in de adrenaline van 100 naar 150 en een minder weerbare tegenstander gaat van 100 naar 50. Een ploeg met veel weerbaarheid die achterkomt, gaat dan van 100 naar 90 en kan weer wat gemakkelijker terugkomen. Kom je voor of achter, dan heeft dat dus vaak veel invloed op de uitslag, afhankelijk van de weerbaarheid in je ploeg.

Weerbare ploegen kunnen los van de stand spelen, om het mooi uit te drukken. Het is verstandig om heel scherp aan een wedstrijd te beginnen, om de kans dat je op voorsprong komt positief te beïnvloeden. Wie de eerste tien duels wint, wint vaak de wedstrijd. Scherp beginnen is vaak de laatste clichékreet voor een ploeg het veld op gaat. De realiteit leert ook dat als jouw verzorger in de eerste helft veel vaker het veld in moet dan die van de tegenpartij, je meestal de wedstrijd verliest. Positief agressief aan een wedstrijd beginnen kun je trainen. […]

In een weerbare ploeg kun je geen verdedigers gebruiken die vaak met hun armen zijwaarts staan om anderen terecht te wijzen. Ik kreeg eens ruzie met een verdediger bij NEC, waarop Jan Peters me bijviel en zei: ‘Jij staat nooit op de foto bij een tegengoal.’ Dat vond ik heel treffend gevonden.

‘Frustratietolerantie’ in een wedstrijd speelt ook vaak een belangrijke rol. Na een fout nemen spelers in hun volgende actie veel risico waarna vaak weer een fout volgt. Het gevolg is vaak frustratie en het zelfvertrouwen krijgt een knak. Stabiele spelers spelen na een fout een safe bal zonder veel risico en herstellen hun vertrouwen. Ook zie je vaak dat spelers na een fout een grove overtreding maken. Het gevolg is vaak geel of rood met alle gevolgen van dien. Een speler met frustratietolerantie levert een positieve bijdrage aan de weerbaarheid van een ploeg. Douglas van FC Twente, een verdediger van naam, niet. Hij kreeg tijdens zijn periode in Nederland al vijf keer een rode kaart. Een voorbeeld van negatieve frustratietolerantie.

Een weerbaar elftal bezit per definitie winnaars, weet Leen [Looijen]. Patrick Pothuizen is een typisch voorbeeld van een winnaar. Hoe vaak is het niet voorgekomen dat NEC achterkwam en hij in de spits ging spelen en scoorde. Pothuizen speelde ook altijd op de grens, deelde wel eens een elleboogje uit als de scheidsrechter het niet zag. Frans Janssen, Ron de Groot en Jack de Gier waren ook winnaars. Ze scoorden niet voor niets vaak als het nog 0-0 stond en niet als het al 4-0 was. Zij hebben een heel hoog weerbaarheidsvermogen. Als een amateurteam zulke types in de as heeft, dan wordt het vrijwel zeker kampioen. Heb je in een elftal veel honden, dan ben je meestal voor de kerst als coach ontslagen. Een hond heeft namelijk de gewoonte om bij tegenslag te gaan liggen. Deze uitdrukking komt van oud-collega Leo Steegman. Vroeger onder meer trainer van Sparta en Volendam. […]

Wil je als coach de weerbaarheid van je team positief beïnvloeden, dan moet je ervoor zorgen dat je veel spelers met persoonlijkheid krijgt. Ook moet je werken aan de persoonlijkheid van je jonge spelers. Wiel Coerver had het ook altijd over ‘we moeten meer spelers met persoonlijkheid hebben’. Hij begon dan over Eddy Merckx en Muhammed Ali. Hij probeerde ook de persoonlijkheid van de spelers te stimuleren.[…]”

(Bert Nederlof, “Leen Looijen – Van verliezen leer je winnen”, [2012]. blz 78-81)