Close

August 9, 2012

Voetbalwoordenboek: de “ausputzer/libero”

“De ausputzer [een goed Nederlands woord is ‘opruimer’ (Engels: sweeper)] is de achterste verdediger, de laatste man die permanente rugdekking geeft aan de lijn van verdedigers voor hem. Hij beweegt zich in het niemandsland voor het doel dwars over de breedte van het speelveld, met de bal mee (tegenpartij dus in balbezit). Je zou hem dus ‘slingerback’ kunnen noemen. Hij is zelf vrije man, want doet niet aan persoonlijke mandekking. In plaats daarvan maakt hij telkens driehoekjes met de beide verdedigers voor zich tegenover de man aan de bal: dubbele rugdekking dus, maar door één speler in plaats van twee.

De idee van de ‘grendel’ gaat terug tot Karl Rappan, De Oostenrijkse trainer van het Zwitserse nationale elftal in de dertiger jaren. De ausputzer onderschept dieptepasses (staat hij echter op de rand van het strafschopgebied of verder terug, dan kan ook de keper achter hem dat doen). Hij neemt over, d.w.z. stopt een doorgebroken aanvaller af, op de vleugel of in het centrum, zodat hij op één lijn met de verdedigers voor zich komt.

De ausputzer is niet alleen laatste man, maar ook extra verdediger. In beginsel betekent zijn aanwezigheid altijd een numerieke meerderheid tegenover de vijandelijke aanval. Vanuit zijn positie achter de verdediging kan hij het hele gebeuren uitstekend overzien. Hij kan ook niet ‘on the blind side’ [in zijn rug] worden verrast door een opkomende man van de tegenpartij. Zijn taak is het die extra man op te vangen. Spelen met ausputzer is dus een middel tegen opkomen: extra man (verdediger) tegen extra man (aanvaller).

Er is echter één levensgroot probleem. Wat moet de ausputzer doen, als de bal aan de ene kant is (waar hij rugdekking moet geven), maar de extra aanvaller komt op over de andere, tegenovergestelde vleugel? Met een crosspass [wisselpass] over de hele kan de opkomende man immers rechtstreeks worden ingeschakeld (het spel opengooien). Opkomen wordt zo dus gebruikt als middel tegen de ausputzer!

Het antwoord hierop luidt wel dat de ausputzer rond de penaltystip moet blijven, want op die manier kan hij de directe gevarenzone voor het doel hoe dan ook in zijn geheel blijven afschermen. Een ander antwoord is vanzelfsprekend dat een eigen aanvaller moet meeverdedigen tegen de opkomende man door met hem mee te gaan. De verdediger wordt dan dus aanvaller (opkomen) en de aanvaller, de directe tegenstander van de verdediger bij balbezit van de tegenpartij, wordt verdediger!

Zoals gezegd is de ausputzer extra- en vrije verdediger. Gaat een medeverdediger mee naar voren (bijv. opkomen!) dan neemt hij diens positie in de dekking in.

De libero is een variant op de ausputzer. De Amerikanen noemen hem wel eens ‘elastic sweeper’, omdat hij zelf als extra aanvaller, gewoonlijk door het centrum, opkomt. Ook gaat hij mét bal in hoog tempo over de middenlijn voor een schot uit een 1-2tje. Bij hoekschoppen trekt hij mee naar voren om te koppen. Bij vrije schoppen op de rand van het strafschopgebied van de tegenpartij kan hij zich aanbieden of ze zelf nemen. In al deze gevallen kan zijn positie door een medeverdediger worden ingenomen, als de tegenpartij weer in balbzit komt, totdat de libero op zijn oude plaats achter de verdediging terug is.

De libero is het summum van modern voetbal. Hij is extra man in aanval én verdediging. Hij is het middel tegen zichzelf: hij komt zelf op en verdedigt tegen opkomen!

Tenslotte nog een enkel woord over de figuur die in het Engels ‘defensive screen’ heet. Het is een ausputzer/libero, maar dan eentje die afschermt enz. vanuit een positie vóór de achterste lijn van verdedigers, met alle gevolgen vandien uiteraard.”

(Rob Siekmann, “Moderne Voetbaltheorie”, Prisma-boeken 1910, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht / Antwerpen 1980, blz 78-80)

De libero Franz Beckenbauer

“Over [Martin] Heidegger doet de anekdote de ronde dat hij in het begin van de jaren zestig eens de intendant van het Freiburgse theater in de trein tegenkwam en dat deze graag van de gelegenheid gebruik maakte om met de filosoof over literatuur en theasterensceneringen te spreken. Heidegger was echter ‘nog in de ban van een voetbalinterland’, en wilde ‘liever over Franz Beckenbauer’ praten.

’Hij had grote bewondering voor diens gevoelvolle balbehandeling – waarbij hij probeerde de verbijsterde toehoorder de finesses van diens spel bijna letterlijk voor ogen te voeren. Hij noemde Beckenbauer een geniale speler en roemde zijn onkwetsbaarheid in de duels. Heidegger matigde zich nadrukkelijk het oordeel van een vakman aan, omdat hij namelijk in Messkirch niet alleen de klokken had geluid, maar ook met succes als linksbuiten een balletje had getrapt.’

Die twee typeringen van Franz Beckenbauer zijn hier verhelderend: onkwetsbaarheid in duels en een geniaal spelinzicht. In de wereldgeschiedenis van het voetbal geldt Beckenbauer als geen ander als de libero bij uitstek, en beide typeringen van Heidegger raken ongetwijfeld de kern van waar het bij de ‘liberale’ spelmaker om gaat: wie in de duels onkwetsbaar is, gelooft (althans in het voetbal) aan de mythe van Achilles en neemt dienovereenkomstig aan dat voor hem de wetten van de natuurkunde niet gelden (op de hielen na).

Beckenbauer zegt zelf dat zijn onkwetsbaarheid er vooral op berustte dat hij zijn benen optrok als aanstormende tegenstanders een tackle inzetten. Hij won de duels niet, hij onttrok zich er slechts aan, en met succes – een beetje zoals wanneer in Homerus’ Ilias een godin de held uit het gebeuren haalt, voordat hij er ernstig nadeel van ondervindt.

[Naar aanleiding van een voetbalwedstrijd die Heidegger bij zijn buurman Brinkmann in Freiburg volgde, vroeg hij zijn gastheer of Beckenbauer eigenlijk wel geblesseerd kon raken en hij vergeleek hem daarbij met Achilles.]

Heideggers tweede karakterisering is niet minder verhelderend. Beckenbauer was als ‘geniale speler’ niet maar iemand die in de zin van [John Stuart] Mill zijn eigen ‘ding deed’, maar iemand die, omdat hij in principe op de centrale positie speelde, tegelijkertijd het hele spel maakte wanneer hij zijn ding deed.

Zowel de onkwetsbaarheid als de genialiteit in Beckenbauers spel typeren aldus de libero als een speler die in principe niet in het spelgebeuren van het eigen elftal opgesloten zit en zoals de anderen achter de bal aanloopt waar die ook maar heen vliegt (kick and rush). De libero belichaamt eerder de mogelijkheid om los te komen van het gebeuren en de drukte en daarmee van de principiële balfixatie van de anderen, om ten opzichte van degenen die op het snelle succes azen (kick and rush) een stap terug te doen om een nieuw begin te maken.

De libero is degene die niet alleen op het veld een volkomen nieuwe richting aangeeft, maar hij is tegelijkertijd degene die vanuit de tijdsdimensie gezien altijd en met iedere actie een nieuwe aftrap als een nieuwe spelopening teweegbrengt. Hij is daarmee ook degene die het spel als eerste betekenis verleent, omdat hij het is die een fundamenteel nieuw begin maakt.”

(Martin Gessmann, “Filosofie van het voetbal”, Uitgeverij Klement, Zoetermeer (Nedrland) en Uitgeverij Pelckmans, Kalmthout (Belgié), 2012, blz 89-90)

Andere iteratuur over filosofie en voetbal:

Mark Perryman, “Het filosofen-elftal – Totaalvoetbal doo elf grote denkers”, Uitgeverij BZZToH, ‘s-Gravenhage 2003

W.T. Eijsbouts, “Een kleine filosofie van de bal – van Marco tot Plato”, Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2006

Jan Vorstenbosch, “Voetbalgek – bespiegelingen van een filosoof”, UItgeverij Lemniscaat, Rotterdam 2010