Close

August 1, 2012

Voetbaltactiek en voetbaltaal: de “buitenspelval”

Offside trap

“Buitenspel zetten is geoorloofd, buitenspel staan daarentegen wordt bestraft met een indirecte vrije schop tegen de overtredende partij. De buitenspelval dient dus twee doelen: het afbreken van vijandelijke aanvallen en het terugkomen in balbezit.

Hoe wordt de buitenspeltactiek toegepast? Op het moment dat de bal wordt gespeeld, zorgt de verdediging ervoor dat tenminste één aanvaller van de tegenpartij ten hoogste één man voor zich heeft (normaal gesproken is dat de keeper). Speelt de verdediging op één lijn, zonder ausputzer/libero erachter, dan moeten alle verdedigers tegelijk naar voren lopen, ‘d’r uit komen’, waarbij enkele spelers richting balbezitter sprinten (‘jagen’) voor het geval dat deze de bal niet diep zal gaan spelen, maar bijv. zelf wil doorbreken. Het ‘commando’ tot dergelijk gesynchroniseerd optreden wordt door één der spelers volgens afspraak gegeven. Bij vrije trappen van de tegenpartij wordt de juiste timing van een en ander aanzienlijk vergemakkelijkt omdat de bal dan stilligt en het moment van spelen vaststaat.

‘Systematisch’ buitenspel, zoals de Vlamingen het noemen, wordt bij voorkeur niet te dicht in de buurt van het eigen strafschopgebied toegepast, maar liever meer naar de middenlijn toe. Het speelveld wordt zo niet alleen voor de tegenpartij kleingehouden, maar de risico’s zijn ook geringer.

Wordt er echter permanent met een ausputzer/libero gespeeld, dan is alert buitenspel zetten eigenlijk alleen goed mogelijk vlak aan de rand van het eigen zestienmetergebied, waar de vrije man als het ware vanzelf in de achterste lijn van verdedigers schuift. Tenzij er voortdurend een aanvaller ter hoogte van de ausputzer/libero opereert. In dat geval is één stapje naar voren door de vrije man voldoende om de buitenspelval open te zetten.

Hoe ontloop je tenslotte de buitenspelval? Door niet te passen, maar verder te dribbelen met de bal aan de voet of door achter- dan wel zijwaarts te passen. Een derde mogelijkheid is dat de diep aangespeelde aanvaller vanachter de bal (op)komt! Intussen moeten de medespelers waarnaar gepasst zou kunnen worden, weglopen uit een dreigende buitenspelpositie, wanneer de tegenpartij, één of meer verdedigers, op het punt staat het stapje naar voren te doen.”

“In wezen is de buitenspelval natuurlijk een vorm van spelbederf. Waarom wordt dit niet bestraft met een vrije schop voor de aanvallende partij in plaats van omgekeerd een vrije trap voor de verdedigende partij? Er is in zo’n geval geen sprake van dat de aanvallers voordeel uit hun positie trachten te trekken: zij worden immers in buitenspelpositie geplaatst buiten hun toedoen! Een alternatief voor het toekennen van een vrije trap aan de aanvallende partij zou zijn om de voordeelregel toe te passen en het spel te laten doorgaan. Door voor buitenspel te fluiten, wordt de verdedigende partij die zich door middel van de buitenspelval aan spelbederf bezondigt, immers bevoordeeld. Toepassing van de voordeelregel in dit geval zou tegelijkertijd de definitieve doodsteek voor de buitenspelval betekenen.”

(Rob Siekmann, “Moderne Voetbaltheorie”, Prisma-boeken 1910, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht / Antwerpen 1980, blz 80-83; zie ook: Rob Siekmann en Frans Duivis, “Voetbal!”, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht 2000, blz 32-33)

“En Oranje speelde op buitenspel. Daar had coach Michels de spelers voor. De wereld wist niet wat het zag toen Nederland op het WK aftrapte tegen Uruguay. De Zuid-Amerikanen, vier jaar eerder nog halve finalist, werden ondersteboven gespeeld, zoek getikt wanneer Nederland de bal had en onmiddellijk klemgezet als Nederland de bal even niet had.

En als de oranjehemden naar voren spurtten, wanneer Uruguay met een dieptepass dreigde, stonden vier, vijf, soms wel zes van die hemelsblauwe shirtjes buitenspel. De verbazing op de veelal besnorde koppen werkte op de lachspieren. Uruguay begreep er niets van.

‘De buitenspelval was de manier voor een aanvallende ploeg om zo snel mogelijk in balbezit te komen. Met z’n allen eruit en dan jagen op de man met de bal. Die moest ingesloten worden zodat hij er niet met een individuele actie doorheen kon glippen. We renden niet blind naar voren, over een breed front, want dat was te link. We richtten ons met z’n allen op de man met de bal. Die kon dan niets anders meer dan achteuit spelen. Speelde hij diep dan was ‘t buitenspel en speelde de man op wie hij ‘m teruglegde diep dan was het ook buitenspel.’

Tot verbijstering van Van Hanegem was de buitenspelregel op het WK twintig jaar later in Amerika ineens aangepast. Wie niet direct werd aangespeeld, kon geen buitenspel meer staan. Het kostte het Nederlands elftal in de kwartfinale tegen Brazilië een doelpunt toen [Bebeto] kon scoren omdat de Nederlandse verdediging halt hield. [Romario] stond immers royaal buitenspel, maar dat was nog volgens de oude regel.

Van Hanegem vindt de vernieuwde regel nog steeds een crime. ‘Hij zou het aanvallende voetbal ten goede komen. Dat was de achterliggende gedachte, maar het is de gedachte van mensen die voetbal niet snappen. Als je niet zo snel buitenspel staat, ga je aanvallender spelen, denken die mensen. Wat een onzin. Het is juist omgekeerd. Aanvallende ploegen gaan verdedigend denken, omdat ze de tegenstander niet meer buitenspel kunnen zetten. Het was een belachelijke spelregelwijziging en het is nog belachelijker dat-ie nooit is teruggedraaid.’”

(Jaap Visser en Wessel Penning, “Willem gaat diep – In tien gesprekken”, Kick Uitgevers / Uitgeverij Carrera, Rotterdam / Amsterdam 2012, blz 40-41)

Opmerkingen

Ten eerste: opzettelijk, met voorbedachten rade buitenspel zetten, het hanteren van de buitenspelval wordt beschouwd als een geoorloofde taktiek en niet als “onsportief gedrag” in de zin van spelregel 12: “zich gedragen op een wijze die geen respect voor het spel toont” (Interpretatie bij de spelregel).

Ten tweede: volgens de oude spelregel 11 betekende “gelijk staan” buitenspel. De huidige spelregel bepaalt dat een speler zich in buitenspelpositie bevindt indien hij dichter bij de doellijn van de tegenpartij is dan de bal en de voorlaatste tegenstander, met dien verstande dat hij niet buitenspel staat wanneer hij gelijk staat, zich op gelijke hoogte bevindt met de voorlaatste tegenstander of met de laatste twee tegenstanders (dat zullen in zulk geval normaliter een veldspeler en de uit zijn doel gekomen doelman van de tegenpartij zijn; RS). Een speler bevindt zich dichter bij de doellijn van de tegenpartij wanneer enig deel van zijn hoofd, lichaam of voeten dichter bij de doellijn van de tegenpartij is dan zowel de bal als de voorlaatste tegenstander (of de laatste twee tegenstanders; toevoeging RS). De armen zijn hierbij niet inbegrepen (Interpretatie bij de spelregel).

In mijn opvatting zou alleen de positionele stand van de voeten doorslaggevend moeten zijn. Ook dit aspect van de nieuwe regel was destijds overigens bedoeld om aanvallend voetbal te bevorderen.

Ten derde: volgens de “oude” buitenspelregel stond een speler alleen strafbaar buitenspel als hij ingreep in het spel, een tegenstander in diens spel beïnvloedde, of voordeel trok uit zijn buitenspelpositie. In de “nieuwe”regel is dat nog steeds aldus geformuleerd in de basisregel; echter, in de Interpretatie bij de spelregels wordt wat vroeger “hinderlijk”en dus strafbaar buitenspel was nu veel restrictiever uitgelegd. Een speler moet daarvoor duidelijk het gezichtsveld of de bewegingen van een tegenstander blokkeren of een gebaar of beweging maken die naar het oordeel van de scheidsrechter een tegenstander misleidt of afleidt, zodat wordt voorkomen dat hij de bal kan spelen of in staat is te spelen.