Close

August 3, 2012

Grondslagen en geboden van Joachim Löw

Jogi Low

“Van filosofie naar praxis. Van theorie naar praktijk. Waar baseert Löw zich op om het begrippenkader vaste grond onder de voeten te geven? Volgens de analyserende biograaf genereerde Löw vier Grundlagen. Grondslagen dus, die zijn procesvoering ondersteunen.

Christoph Bausenwein: ‘Het begint bij het automatisme, niets dan het automatisme. Net als de muzikant elke dag zijn partituur bestudeert, geldt dat ook voor de profvoetballer. Pianospelen is net als voetballen corrigeren, corrigeren, corrigeren.

Als het automatisme echt automatisch wordt uitgevoerd, dan is het tijd voor het tempo. Löw let niet op het aantal kilometers, wel op de snelheid van de beweging. Vergeet de duurloop, dat is niets voor een voetballer. Wat presteert men tussen pauze en ritme? Hoe intensiever, hoe beter, volgens de wet van de bestendige beweging. Sta niet stil maar verbruik ook geen overbodige energie. Maak geen domme kilometers. Daarom bant hij strijd, inzet, lange ballen en volle verdedigingen. Hij opteert voor de directe druk van de verticaliteit, met het korte balcontact.

Adagium drie: het lichaamsloze duel. Hij maakt een subtiel onderscheid tussen voetbal als vechtspel en voetbal als vechtsport. Weg met het oude Tutoonse gekeil tegen de bal en tegen de benen van de tegenstander. Zijn stelling is vast omlijnd: grofheden zijn niet productief, fouten schaden het eigen elftal. Bij het verdedigen kijkt hij uit naar het winnen van de bal in plaats van naar het ontregelen van de rivaal. Daarom kiest hij zijn verdedigers volgens het principe van het strijden zonder het lichaam: hoeveel onnodige fouten maakt jij? Want die hinderen de pressing. Die pressing heeft slechts zin als de bal wordt heroverd zonder overtredingen, want dan verspeelt men hem en verliest men energie. Bij balverovering is de leidraad: de combinatiecounter met tempo via ingestudeerde route naar de afgesproken ruimte. Dat is de stap naar grondslag vier, meteen ook het simpelst onder woorden te brengen: de echte voetbalkunst ligt in de complete spelbeheersing’.”

(Raf Willems, “Het Mannschaftswunder – Waarom de Duitsers de besten zijn”, Uitgeverij De Arbeiderspers, Utrecht / Amsterdam / Antwerpen 2012, blz 49)

“Het eerste gebod voor alle spelers op het veld is door Joachim Löw een gevleugeld woord geworden: ‘hoogste discipline’. Niemand verlaat zijn plek in het systeem, behalve als het systeem het heeft gepland. Het tweede gebod bestaat uit de maxime dat communicatie altijd mogelijk moet zijn, wat op het veld betekent dat iedereen altijd aanspeelbaar moet zijn. Omdat bij lange ballen het risico toemeemt, moet men met korte passes aanspeelbaar zijn, en systematisch wordt het probleem opgelost door het voortdurend vormen van de kleinst mogelijke communicatieve driehoeken: als twee naburige spelers elkaar de bal niet kunnen toespelen, moet er in principe altijd een derde zijn die wel aanspeelbaar is. De derde maxime bestaat in het oefenen van geduld: als de zekerheid in het aanspelen en de variatie van het vormen van driehoeken groot genoeg zijn, ontstaat vroeg of laat de opening waardoor men de tegenstander te slim af kan zijn. Dat betekent in tactisch opzicht dat de driehoekjes consequent van rechts naar links en weer terug bewegen, net zo lang tot er in het midden ruimte ontstaat. De driehoek wordt dan met een Y verlengd, in die zin dat er een pass in de diepte volgt en zo de ene driehoek met de andere communiceert. Naast de tactiek van balbezit is dit het overeenkomstige ‘random element’ in de spelopbouw dat bestaat in een combinatie van toevalsfactoren in de spelsituatie en een onvoorspelbare variatie van loop- en passwegen, met als doel het aanpassingsvermogen van de verdediging van de tegenstander planmatig te overbelasten.”

(Martin Gessmann, “Filosofie van het voetbal”, Uitgeverij Klement, Zoetermeer 2012, blz 100)