Close

August 28, 2012

Dinamo Zagreb/Rode Ster Belgrado, Boban, Arkan en FC Obilić

“Op 13 mei 1990 staat de Joegoslavische competitiekraker tussen G.N.K. Dinamo Zagreb en Rode Ster Belgrado op het programma. Een week daarvoor zijn de Joegoslaven voor het eerst vrij gaan stemmen. Die verliezingen zorgden voor behoorlijk wat spanning. Zo waren de Serviërs niet echt gelukkig dat de voorvechter van de Kroatische onafhankelijkheid, Franjo Tudman, verkozen werd.

De Deije (‘Helden’), de harde kern van Rode Ster, reizen met zo ‘n drieduizend man naar het Kroatische Zagreb. “Zagreb is Servië!’ en ‘Dood aan Tudman!’ klinkt het niet al te subtiel tijdens de wedstrijd in het Maksimir-stadion. De vechtpartijen die voor de wedstrijd waren ingezet, worden tijdens de wedstrijd voortgezet. De Serviërs dagen de Dinamo-aanhang uit. Wanneer ze daarbij ook nog eens bewapend met messen een vak Dinamo-supporters bestormen, komt de harde kern van Dinamo, de Bad Blue Boys, in actie. De Joegoslavische politie die de Rode Ster-aanhang eerst wat heeft laten begaan, grijpt in. Een massale veldslag tussen Serviërs, Kroaten en politie breekt uit. Ook spelers werpen zich in de strijd. De wedstrijd was door het traangas al nauwelijks meer zichtbaar.

Dinamo’s jonge middenvelder en latere A.C. Milan-vedette Zvonimir Boban (1968) tracht een fan die door de politie stevig wordt aangepakt, te ontzetten. Hij deelt een karatetrap uit aan een politieman. Het levert hem een cultstatus op. Later zal hij trouwens laten optekenen: ‘Kroatië is de reden dat ik leef. Ik zou sterven voor Kroatië.’ Balans na de wedstrijd: negenenzeventig agenten en negenenvijftig supporters gewond. Het is de eerste keer dat de tegenstellingen tussen Serviërs en Kroaten zo (fysiek) op de spits worden gedreven. Drie weken later wordt het Joegoslavische team in hetzelfde stadion tijdens de oefenwedstrijd Joegoslavië-Nederland voortdurend uitgefloten door … de Kroatische fans. Het is nu wel duidelijk. Het komt niet meer goed tussen de Kroaten en de Serviërs.

Opvallend is dat wanneer eenmaal de Balkanoorlog uitbreekt de Bad Blue Boys en de Deije een hoofdrol blijven opeisen. Beide legers rekruteren namelijk gretig in de harde kernen. Een van de leiders van de Deije was trouwens Željko Ražnatović, beter bekend als ‘Arkan’ wiens paramilitaire militie, de Arkan Tijgers, voor een groot deel uit Rode Ster-hooligans bestond. Arkan is in onze contreien trouwens geen onbekende. Zo zou hij in de jaren zeventig roofovervallen en moorden hebben gepleegd in Zweden, Italië, België en Nederland. Begin 1975 werd hij in België gearresteerd en veroordeeld tot tien jaar cel voor een gewelddadige bankoverval die hij op 31 december 1974 had gepleegd. Hij ontsnapte echter uit de gevangenis van Verviers en verlegde zijn ‘base of operations’ naar Zweden. Op 5 septenber 1979 liep hij daar bijna tegen de lamp tijdens een mislukte bankoverval. Een van zijn kompanen werd gearresteerd. Arkan viel al schietend de rechtszaal binnen en bevrijdde zijn handlanger voor de ogen van de rechter.

Kort daarna werd Arkan door een stom toeval gearresteerd. In Amsterdam, toen hij een fiets probeerde te stelen! In Nederland was hij ook niet lang te gast. Voor hij kon worden uitgeleverd aan Zweden, ontsnapte Arkan uit de Bijlmerbajes. Een maand later werd hij na een overval in Frankfurt, bloedend, opgepakt door de politie. Hij ontsnapte er nog dezelfde nacht. Arkan zou actief zijn geweest in de drugshandel. Ook zou hij als huurmoordenaar voor de Joegoslavische geheime dienst hebben gewerkt. De in het Amsterdamse criminele milieu opererende topcrimineel Sreten ‘Jotsa’ Jocic was trouwens ‘a close friend’. (Arkans maatje wordt verdacht van betrokkenheid bij de moord op crimineel Sam Klepper.)

Na afloop van de oorlog in voormalig Joegoslavië legde de voormalige hooligan Arkan zich opnieuw toe op het voetbal, maar dan als eigenaar van F.K. Obilić Beograd. Hij investeerde een vermogen in de club, met in 1998 het Joegoslavische kampioenschap als resultaat. […] Arkan [bedreigde] spelers van de tegenstander. Duizenden oorlogsveteranen zorgden in het stadion voor een extra grimmige sfeer door op de tribune met pistolen te zwaaien. […] Een voormalige speler [vertelde] dat hij eens door onbekenden in zijn garage werd opgesloten … en daardoor de wedstrijd tegen F.K. Obilić miste. Arkan, vader van negen kinderen bij vijf verschillende vrouwen en trotse bezitter van een roze Cadillac, werd in Den Haag wegens oorlogsmisdaden aangeklaagd, maar het is niet tot een veroordeling gekomen. Op 15 januari 2000 werd hij in de hal van het Hotel Intercontinental in Belgrado samen met twee van zijn lijfwachten doodgeschoten. Trouwens, niet alleen bij de Rode Ster-aanhang, maar ook bij die van Lazio Roma geniet wijlen Arkan een regelrechte heldenstatus. Toen de Romeinse, ultrarechtse aanhangers na zijn dood een spandoek ontrolden ‘Ere aan de Arkan-tijgers’, ging hun Servische topspeler Siniša Mihajlović de fans met applaus begroeten. Bij het Maksimir-stadion wordt in 1995 een monument onthuld met daarop de volgende tekst: ‘Voor alle Dinamo-supporters wier oorlog begon op 13 mei 1990 en eindigde toen ze hun leven gaven voor Kroatië.”

(Joost Houtman en Jan-Cees Butter, “Het foute elftal – moord en doodslag in de voetballerij”, Lebowski Publishers, Amsterdam 2012, blz 250-253)

Literatuur

Frank Grootemaat, “Burenruzies – Voetbalinterlands vol strijd en rivaliteit”, Uitgeverij Fagus, IJzerlo 2010; in het bijzonder “Servië – Kroatië – Oorlog op het veld”, blz 95-109.