Close

July 13, 2012

De reputatie van de “Hollandse School”: Van Basten en Koelliet!

“We staan voor de juiste deur, kan niet missen. Er hangt een geprint A4’tje op met de tekst MINISTER OF FINANCE. Terwijl we plaatsnemen op de stoelen en zitbanken die in een kring zijn neergezet, neemt de minister zelf zitting achter zijn houten bureau. Het is op een kleine verhoging geplaatst, zodat hij neerkijkt op zijn gesprekspartners. Hij vertelt dat de mensen in het begin niet goed wisten wat ze met ons project aanmoesten. ‘Maar’, zegt hij, en hij debiteert een haast cruijffiaanse wijsheid, ‘Je weet pas of een project slaagt als je het ook uitvoert.’ Inmiddels staat de hele bevolking achter ons, verzekert hij.’We hebben al 160.000 dollar in de Pacific Games gestoken. Voor jullie verblijf komt er nog eens 10.000 dollar bij. Dat is veel geld voor Tuvalu, onze jaarbegroting is maar dertig miljoen. Maar we zien zeer uit naar het FIFA-lidmaatschap. Ook ben ik blij met de bekendheid van Tuvalu in Nederland. Dat kan het toerisme aanwakkeren en onze economie helpen.’ Daarnaast heeft het project de steun van boven. ‘Zoals jullie weten is het geloof heel belangrijk in Tuvalu. We geloven dat jullie door God gezonden zijn.’

Zijne Excellentie, een grijze vijftiger met krachtige gelaatstrekken, is gewend om het woord te voeren. Veel ruimte om vragen te stellen geeft hij ons niet. Wel grijpt hij de mogelijkheid aan om ten overstaan van het Nederlandse bezoek duidelijk te maken dat hij zelf een voetbalgrootheid was in zijn jonge jaren. Als speler in het nationale team deed hij mee aan de Pacific Games van 1979. Onomwonden vertelt hij dat hij de beste speler is uit de Tuvaliaanse geschiedenis. Hij buigt iets voorover en zegt op samenzweerderige toon: ‘Het is maar goed dat de minister van Sport in het buitenland is en dat ik zijn taken waarneem. Hij kan nog geen pass over vijf meter geven. Hij weet echt niks van voetbal.’ Na een korte pauze: ‘Ik spreek jullie taal.’

Hij veert op en vertelt over zijn tijd in Engeland, waar hij woonde in de jaren tachtig. ‘Van Basten was mijn idool!’, roept hij terwijl hij juichend een arm in de lucht steekt. ‘Van Basten! En Koelliet!’

Dan stopt hij met praten, kijkt nog even de kring rond en knikt dan lichtjes met zijn hoofd. ‘Thank you.’”

(Koen van Santvoord, “Foppe de Haan: Bondscoach voor 4 weken – Op pad met het nationale elftal van Tuvalu”, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2012, blz 24-25)