Close

June 3, 2012

Voetbalwoordenboek (bijnamen): Willi “Ente” Lippens

2cv

“Wie Lippens’ Ranch, net buiten het Duitse Bottrop, op rijdt, ziet overal – echt, overal – eenden. Een slecht gertekende Donald Duck eigenlijk – onbedoeld komisch, door de nogal dik aangezette waggelkont die pront naar achter steekt. Terwijl we het erf inspecteren, komen we een heuse eendenstal in ruste tegen en ook het busje van Lippens’ Gastronomiebetrieb voert prominent het logo van de firma. Juist, een eendje. Met op het puntje van zijn verenkont een voetbal.

‘Ja, een oude vriend van mij uit Amsterdam heeft dat logo voor mij gemaakt. Een richtige[r] Künstler.’ We knikken beleefd van ja. Een volwassen man van respectabele leeftijd die zich afficheert als ‘eend’. Wat is hier aan de hand?

Het zit zo: Willi Lippens waggelt. En ja, als we zijn kleine, gedrongen gestalte over het erf zien lopen, zien we ineens hoe hij zijn bijnaam heeft verdiend. Als hij het linker- voor het rechterbeen zet, wiebelt zijn hele gestel mee. Alsof hij een gewicht meesleept, maar zonder dat het stram of stijfjes lijkt. Gecombineerd met zijn pretoogjes vormt zijn loopje onmiskenbaar de tred van een eend…

Lippens waggelt en toen hij als negentienjarige furore begon te maken bij Rot-Weiss Essen, gebruikte een journalist van een lokale krant uit Dortmund in het wedstrijdverslag de term ‘eendje’ om de motoriek van de geslepen vleugelspits te omschrijven. ‘Dat vond ik erst natuurlijk vreselijk. Ik was een jonge ma, ijdel als wat, en vond de vergelijking niet bepaald vleiend.’ Maar zo gaat dat in de voetballerij – en eigenlijk overal: je hebt niet in de hand hoe je voortleeft in de herinnering van anderen.

Eerst zijn tegenstanders, toen zijn teamgenoten – en tenslotte hijzelf ook – creëerden een eentjescultuur zonder grenzen. Toen Lippens – gelouterd door enkele jaren bij Borussia Dortmund en een lucratieve competitie in de Verenigde Staten – op 20 oktober 1979 zijn rentree maakte bij het Rot-Weiss Essen waar hij als jonge speler doorbrak, werd het stadion ingericht voor de ‘Eendendag’. Normaal trok het – toen al tot de lagere klassen afgezakte – Essen zo;n 3000 supporters. Nu waren het er 10.000, die hun ‘vaderfiguur’ luidruchtig toezongen. ‘Wir brauchen keine[n] Müller, wir brauchen keine[n] Held. Wir haben Willi Lippens, den besten Mann der Welt.’ De negen aanwezige deux-chevaux-bezitters maakten een ererondje op de sintelbaan, de winnares van het penaltyschieten in de pauze kreeg een eendenmaaltijd aangeboden.

Lippens zelf was inmiddels volmaakt verzoend met zijn bijnaam; zijn biografie bevat meerdere foto’s waarop hij als eend uitgedost over het veld loopt.”

(Karel Smouter & Remko den Boef, “Eenmaal Oranje – Over de eeuwige debutanten van het Nederlands elftal”, Amstel Sport, Amsterdam/Antwerpen 2012, blz. 89-90)