Close

June 15, 2012

De zaak Hoekman: de doodschop van Jan Willem van Ede

“[d]e getuigendeskundigen [Jan] Mulder, [Keje] Molenaar en Leo van der Kroft [twee oud-profvoetballers en een voormalig topscheidsrechter; RS] zijn […] tot de slotsom gekomen dat er op 15 april 1987 sprake is geweest van een ernstige overtreding van Jan Willem van Ede op Danny Hoekman. ‘Omdat Van Ede op geen enkele wijze probeerde de bal te spelen en daarom zijn extreem gevaarlijke actie enkel was gericht op het opzettelijk raken van zijn tegenstander’, aldus het verslag van de bijeenkomst.

De drie achten het van doorslaggevend belang dat Van Ede nog overeind stond, op zo’n vijf, zes meter, op het moment dat Hoekman de bal richting doel trapte.

‘Door zich met volle snelheid horizontaal met de benen vooruit, waarvan het linkerbeen (nagenoeg) gestrekt, in de richting van de trappende Hoekman te werpen, wist Van Ede, althans behoorde hij te weten dat hij Hoekman zeer ernstig kon blesseren.

Mulder, Molenaar en Van der Kroft kunnen niets met de uitleg van Van Ede, die stelt dat hij alleen maar geprobeerd had zich breed te maken. ‘De onbesuisde actie van Van Ede was niet gericht op breed maken. Wanneer een keeper zich breed maakt, komt of glijdt hij niet met de benen recht vooruit op de tegenstander in, maar werpt hij zich doorgaans met zijn armen vooruit gestoken in zijn volle lichaamsbreedte voor de bal en tegenstander, waardoor het risico op letsel bij de tegenstander aanzienlijk wordt beperkt.’

Over de straf die scheidsrechter Bep Thomas had moeten opleggen zijn de drie helder: ‘De scheidsrechter had Van Ede middels een rode kaart direct van het veld moeten afsturen wegens een gewelddadige handeling of ernstig gemeen spel, namelijk het trappen van een tegenstander.’ Ook de Tuchtcommissie is volgens de drie deskundigen in gebreke gebleven. Die had een maximale straf van acht wedstrijden kunnen opleggen.

Het trio vindt niet dat Hoekman, gelet op de manier waarop in Nederland voetbal wordt gespeeld, de charge van Van Ede had kunnen verwachten. ‘Een speler hoeft niet te verwachten van een keeper dat deze zo lang na het spelen van de bal met een nagenoeg gestrekt been op hem doortrapt. Van Ede had zich op een minder gevaarzettende wijze breed kunnen maken, hij had gewoon kunnen doorlopen om tegen Hoekman op te botsen en hij had Hoekman gewoon kunnen ontwijken’, zo staat te lezen in het verslag.

Mulder, Molenaar en Van der Kroft concluderen dat de kans op een blessure door de gewelddadige handeling van de Utrecht-doelman is gecreëerd en aanzienlijk was.”

(Jan Brouwer de Koning, “Buiten spel – Danny Hoekman: de prijs van de doodschop”, Totemboek, Amstelveen 2009, blz. 110-112)