Close

June 17, 2012

De taal van Johan Cruijff: paradox, tautologie, pleonasme, enz.

Marlene Dumas: "Johan Cruijff (jonger)" en "Johan Cruijff (ouder)"

“in het tijdschrift Onze Taal [Nr. 11, november 1996] wijdden de neerlandici Kees van der Zwam en Guus Middag een artikel aan de taal van Johan Cruijff. Immers, Cruijff heeft de taal beïnvloed. Van der Zwam en Middag benoemen een aantal stijlmiddelen waarvan Cruijff nog nooit gehoord zal hebben, maar die hij zonder enige schroom gebruikt. ‘De vlot geformuleerde paradox [cursivering RS: vrij naar de “dikke” van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal: uitspraak die schijnbaar tegenstrijdig/ongerijmd is, maar bij nader inzien consistent blijkt te zijn] is een van de kenmerken van het taalgebruik van Johan Cruijff’, schrijven de heren. ‘Voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet.’

Cruijff benut ook de herhalende formulering – de tautologie [cursivering RS; vrij naar van Dale: herhaling van eenzelfde denkbeeld met een andere uitdrukking] – zo constateren Van der Zwam en Middag. De analisten: ‘Wanneer Cruijff in een interview zegt “Als het niet goed gaat, dan gaat het niet goed”, klinkt dat uit zijn mond niet als een dooddoener, maar als een wijs oordeel dat na veel nadenken tot stand is gekomen. Wanneer gaat het niet goed? Daar valt in de praktijk veel over te zeggen, maar uiteindelijk zal men altijd tot deze conclusie komen: het gaat niet goed, als het niet goed gaat. In zekere zin is een dooddoener altijd overbodig, al kan hij soms, op het juiste moment uitgesproken, zijn effect hebben.’*

Zo wordt ook het pleonasme [cursivering RS; vrij naar van Dale: het gebruik van meer woorden dan nodig zijn om een begrip uit te drukken, vgl. tautologie], een andere stijlfiguur die in Cruijffs taalgebruik vaak te vinden is, besproken. ‘Dat vind ik een negatieve invloed wie geen enkele zin heb’, zei Cruijff ooit. En ‘utopieën wie nooit gebeuren’.

[…..]

Opmerkelijk is dat Cruijff de status van taalvernieuwer ook nog in een ander land dan zijn eigen heeft. In Catalonië werd ‘un momento dado’ een veel gebruikte uitdrukking. Ook daar geldt: Cruijff is belangrijk (geweest), hij is populair en vaak op tv. Hilarisch is het moment waarop hij de uitdrukking voor het eerst gebruikt. Tijdens een persconferentie bij Barcelona blijft hij steken bij de woorden ‘en un momento…’ Hij plukt aan zijn neus en zegt dan ‘dado’. ‘Maar dat zeg je niet zo, hè’, voegt hij eraan toe. Even later gebruikt hij na een lichte aarzeling het juiste ‘en un momento preciso’. Dan wordt er wederom gelachen.

Cruijff zal door hebben gehad dat ‘en momento dado’, de letterlijke vertaling van zijn favoriete Nederlandse uitdrukking ‘op een gegeven moment’, grappig overkwam. Hij zal het nog een keer gebruikt hebben en nog een keer.

[…..]

Ook Cruijff was er aanvankelijk niet op uit om een eigen taal te creëren, al had hij wel zijn onmetelijke betweterigheid die zijn woorden kracht bijzet. Als Cruijff ‘geitenkaas’ zegt en Tom Egbers riposteert: Je bedoelt ‘gatenkaas’ en Cruijff antwoordt: ‘Dat zeg ik toch’, dan zit daar een eigenzinnigheid in die grenst aan het idiote.** Dan schiet ook een verhaal te binnen van Joop Hiele, die in Cruijffs Rotterdamse tijd, keeper bij Feijenoord was. Samen met een aantal maten had Hiele voor de betweter Cruijff een niet bestaand woord samengesteld. Met het woordenboek erbij hadden ze van drie bestaande woorden er eentje gemaakt en dat aan Cruijff voorgelegd. Wat volgde was een college van Cruijff over de betekenis van het woord.”

(Marcel Rözer, “Beckenbauer & Cruijff – De Keizer en de Verlosser”, Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam 2007, blz. 149-150, 151-152, 155-156)

“‘De vlot geformuleerde paradox is een van de kenmerken van het taalgebruik van Johan Cruijff’, zo luidt één van de stellingen in de wetenschappelijke beschouwing van het fenomeen door Guus Middag en Kees van der Zwan in het tijdschrift van het Nederlands Genootschap Onze Taal. Als titel erboven is gebruikt de uitspraak “Utopieën wie nooit gebeuren”, die Johan Cruijff eens deed. Met taalkundige begrippen als pleonasme, tautologie, idioom en neologismen wordt de Cruijff-spraak ontleed en ontbonden als een curieus, maar vooral ook fascinerend fenomeen.

De uitspraak ‘Voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet’ wordt in het essay als voorbeeld genoemd van een Cruijffiaanse paradox.

De diepere bewering die eraan ten grondslag ligt, is van het type: ik heb altijd gelijk, ook als dat niet zo is’, stellen de schrijvers die hem onder de loep namen.*** ‘Nauw verwant aan de paradox is de herhalende formulering, de tautologie, hoe vreemd dat op het eerste gezicht ook mag lijken. Een paradox verwijst door zijn raadselachtigheid naar een hogere waarheid. Een tautologie heeft vaak hetzelfde effect, maar nu juist door haar al te grote vanzelfsprekendheid: die kan namelijk een toehoorder al evenzeer achterlaten met het gevoel even een schakel in de redenering gemist te hebben. Wanneer Johan Cruijff in een interview zegt: “Als het niet goed gaat, dan gaat het niet goed”; klinkt dat uit zijn mond niet als een dooddoener, maar als een wijs oordeel dat na veel nadenken tot stand is gekomen.’*

Naast het gebruik van wat de auteurs ‘dooddoeners’ noemen, betrappen zij Cruijff erop dat hij ook volop pleonasmen in de mond neemt. ‘“Dat vind ik een negatieve invloed wie geen enkele zin heb”, zei hij eens. De toevoeging “wie geen enkele zin heb” zit al min of meer opgesloten in het element “negatief”. Het is dus dubbel.

Daarnaast hanteert Cruijff dikwijls terminologie die normaliter in andere bedrijfstakken gebezigd wordt dan voetbal. Ook gebruikt hij veelvuldig dure en platte woorden en termen, en het liefst door elkaar.

[…..]

Het Amsterdamse dialect en het voetbaljargon vormen de basis van Cruijffs taalgebruik. Daarnaast heeft hij soms lak aan fundamentele taalfouten. ‘Cruijff heeft genoeg aan één betrekkelijk voornaamwoord, namelijk aan het woordje “wie”. “Ik ben geen type wie achter de dingen aanloopt” en “De mensen wie negatief in het realistische adviseren, was natuurlijk negatief.” Ook het aantal persoonlijke voornaamwoorden is bij hem beperkt. “Ik” en ook “wij” en “we” worden bij Cruijff altijd “je”. Sprekend over de knieblessure van zijn zoon Jordi: “Je bent geen van tweeën dokter. Dus moet je luisteren en proberen het goeie eruit te pikken.”

Dit laatste is trouwens een prachtige illustratie van de invloed die hij uitoefent: veel sporters gebruiken heden ten dage in vraaggesprekken de woorden “je” en “hij” (“zij”) als ze over zichzelf praten.****”

Noten:
* “Als het niet goed gaat, dan gaat het niet goed.” betekent hoogstwaarschijnlijk zoveel als ‘je moet de waarheid altijd onder ogen zien, de feiten respecteren’ (RS)
** Bijna idiote eigenzinnigheid? Cruijff bedoelt kennelijk eigenlijk: ‘ik zei het wel fout, maar je had me goed begrepen; de vorm is tweederangs, het gaat toch in wezen om de inhoud, de communicatie’ (RS).
*** “Voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet.” is geen teken van hoogmoed, maar betekent denkelijk eerder: ‘fouten kun je voorkomen, als je er verstand van hebt’ (RS).
**** Hoezo “hij” en “zij”? (RS)

(Henk Davidse en Henk ten Berge, “‘Johan Cruijff is ongeneeslijk beter’ – Anekdotes, belevenissen en uitspraken”, Uitgeverij BZZTôH, ‘s-Gravenhage 2000, blz. 139-141)

Andere literatuur over de taal van Cruijff:

– “Je moet schieten, anders kun je niet scoren en andere citaten van Johan Cruijff”, verzameld door Henk Davidse,
Uitgeverij BZZTôH, ‘s-Gravenhasge 1998

– “Johan Cruijff: Uitspraken – Een biografie in citaten”, Cruyff Bibliotheek 2011