Close

May 20, 2012

Hollandse en Europese velden: landschap van het amateurvoetbal

Hollandse Velden, Hans van der Meer

Simon Kuper:

“Als ik mijn ogen sluit en terugdenk aan mijn jeugd, zie ik mezelf met de bal aan de voet over een hobbelig veld in Oegstgeest rennen. Ik ben twaalf jaar oud en draag het
rood-zwart van mijn club, de Ajax Sportman Combinatie.

Wij spelen tegen een stel ‘boeren’ uit de Bollenstreek. Ze zijn stuk voor stuk een kop groter dan wij, en Nederlanders zijn sowieso het langste volk ter wereld. Het is een koude zaterdagochtend in de herfst.

ASC heeft slechts één veld voor zijn vele elftallen, maar er is tenminste wel een echte tribune. Daarop zitten kinderen die ik van school ken: rokende tieners, omringd door blonde meisjes op wie het voetbalveld een mysterieuze, magnetische kracht lijkt uit te oefenen. De jongens maken cynische opmerkingen over het spel beneden hen.

De boeren rennen uit hun verdediging in een poging ons buitenspel te zetten, maar ik dribbel voorbij twee van hen en alleen voor de keeper schiet ik (vrij zachtjes, als je met een chronometer terug in de tijd zou reizen) in de verre hoek. Wij winnen met 4-1 van Teylingen. Ik heb de foto’s nog. Mijn vader heeft ze genomen. Ik zie hem nog staan, halfbevroren achter het doel in zijn parka.

Bijna iedereen die ooit heeft gevoetbald heeft het op zo’n soort veld gedaan, maar vóór Hans van der Meer werd dat alleen door vaders en vriendinnen gefotografeerd. Van der Meer is niet alleen de eerste belangrijke fotograaf van het amateurvoetbal, maar ook de eerste die het voetbal als landschap heeft gefotografeerd.”

(Hans van der Meer & Simon Kuper, “Europese velden – Landschap van het amateurvoetbal”, Uitgeverij De Verbeelding, Amsterdam 2006 (oorspronkelijke uitgave:
“European Fields – The Landscape of Lower League Football, Steidl Verlag, Göttingen / SteidlMACK, Londen)

Jan Mulder:

“Mijn grootste liefde is voor de Kastanjelaan in Winschoten (WVV). De Kastanjelaan wordt begrensd door twee kerkhoven, het gewone en het Joodsche. Vanaf de drie laatste fluitsignalen begon mijn leraar Nederlands, J.T.R.C. Koch, Kastanjelaan 15, achter het raam te schateren, dit, om mij niet te missen als ik voorbij fietste. De straat waarin ik woonde zag er vijandig uit wanneer ik daar aankwam. Ik zette de voetbaltas in de schuur en ging op de bank zitten om even onder de pleister op de enkel te kijken. Niemand in de kamer vroeg of het veel pijn deed.

Na een minuut of vijf zei mijn vader opeens: ‘Je moet de bal sneller afgeven en minder op de grond liggen.’

Ik had me onderweg voorbereid dus ik vuurde meteen terug: ‘Ja makkelijk gezegd, maar u vergeet dat ik al-les zelf moet doen: op links, op rechts, op het middenveld, voorbereiden, afmaken, terwijl ik door soms drie man wordt gedekt, pap.’

‘Je moet ook niet zoveel tegen de scheidsrechter praten’, zei mijn vader een minuut of twee later, ‘dat leidt van je spel af en de mensen ergeren zich eraan.’

‘Hoe weet u dat nou, hebt u ze misschien persoonlijk gevraagd?’

‘Je hoort-dat-om-je-heen, Jan.’

‘En een beetje vlugger afgeven moet je de volgende keer ook eens proberen, en niet zo vaak gaan liggen’ zei mijn moeder.

‘Waarom lig je zo vaak op de grond?’ vroeg mijn vader, iets later.”

(Hans van der Meer & Jan Mulder, “Hollandse velden”, Uitgeverij De Verbeelding, Amsterdam 1998, blz. 34-35)

Ook: Hans van der Meer, Jan Mulder & Jan Plekker, “Keepers”, Uitgeverij De Verbeelding, Amsterdam 2001.

Image: Hans van der Meer