Close

May 16, 2012

Het “kleine” Barcelona en de “Cruijff-corner”

corner

“Ook over de maatregelen die de verdediging moet nemen, zijn talloze varianten te verzinnen. Hierbij zal ik me vooral richten op de manier waarop we daar in mijn tijd als coach bij FC Barcelona mee zijn omgegaan. Niet alleen omdat daar mijn voorkeur naar uitgaat, het is ook voor veel mensen het meest herkenbaar.

Zo hou ik er niet van om me in te graven. Daar verandert ook bij een corner niets aan. Ik voel er niets voor om me met elf man in het strafschopgebied terug te trekken, zoals dat tot mijn verbazing bij veel topclubs nog altijd gebeurt. Het nadeel is dat je jezelf onder druk houdt, omdat iedere weggewerkte bal voor de tegenpartij is. Bovendien heeft de doelman op die manier nauwelijks bewegingsruimte. Ruimte die ik juist wil hebben, omdat ik nu eenmaal van een goed overzicht hou.

Daarom werden als tegenzet ook aanvallers ingeschakeld. Gewoon de boel omdraaien om zo de tegenpartij aan het twijfelen te brengen. Dus kiezen voor provocatie, in plaats van zelf geïntimideerd te worden.

Zo had Barcelona geen sterke koppers, dus moest ik het strafschopgebied leeg hebben en leeg houden. Het meest simpele was zo min mogelijk corners tegen te krijgen. Daarom liet ik de ploeg altijd ver van het eigen doel voetballen. Zo dwong ik af dat ik twee in plaats van tien hoekschoppen tegen kreeg. In plaats van tien problemen hoefde ik er dan nog maar twee op te lossen.

Bij die twee corners kreeg ik met het ‘kleine Barcelona’ te maken met kopsterke tegenstanders, die meestal verdedigers waren. Daarom lieten we in dat geval mensen als Romario, Stoichkov en Laudrup voorin staan. Dan ging het erom wie de sterkste zenuwen had. De praktijk wees uit dat de tegenstander meestal niet het risico nam om in een een-tegen-eensituatie met drie van dergelijke aanvallers geconfronteerd te worden. Dus werden er vier man achterin gehouden, waardoor er in principe ook maar vier man in ons strafschopgebied inzetbaar waren, omdat één middenvelder de zone moest afschermen waar de counter te verwachten was en er één man de corner moest nemen.

Het zal duidelijk zijn dat vier aanvallers bij een hoekschop in beginsel goed te verdedigen waren. Vooral omdat de defensie, met name de doelman, de ruimte had en dus ook een goed overzicht. Bovendien kon ik op die manier mijn enige lange speler, doelman Zubizarretta, perfect benutten in het luchtgevecht met kopsterke aanvallers. Het was het antwoord van Barcelona op een van de vele problemen waar we elke wedstrijd mee te maken kregen.

Optie één is dus het aantal kopzorgen laag te houden. Optie twee is, zodra dit relevant wordt, het zo efficiënt mogelijk op te lossen. Een oplossing waar je met het hele team aan moet werken,

Voor het overige is de organisatie voornamelijk in handen van de doelman, waar je als coach eigenlijk buiten staat. Net als bij de vrije trap moet de doelmam een verdediging zo neerzetten, dat hij zich daar zelf het prettigst bij voelt. Eén man bij de eerste paal en één man bij de tweede paal, de een doet het wel en de ander niet. Die verantwoordelijkheid moet zoveel mogelijk bij de doelman liggen.

Voor de rest is de hoekschop vooral een kwestie van attent zijn en blijven. Dan is de kans op een onaangename verrassing ook het kleinst.

[…]

Vaak is me gevraagd, wat te doen tegen een ploeg die gevaarlijk met corners is. Mijn antwoord is altijd: ‘Zorgen dat je geen corner tegen krijgt’.

Ze denken dat ze gedold worden, maar ik bedoel het juist serieus. Stel dat je in een wedstrijd acht corners tegen krijgt, dan heb je dus acht problemen op te lossen. Ga je verder van het doel afspelen, dan krijg je er bijvoorbeeld vier tegen en heb je nog maar vier problemen op te lossen. Daarmee is dus vijftig procent van het probleem opgelost.

Van de vier die overblijven ga je bekijken hoe je jezelf het minste pijn kunt doen. Ik begin altijd met de jongens die niet kunnen koppen naar voren te sturen. Meestal zijn dat er drie en vaak ook de aanvallers. Staan er van mij drie man voorin, dan houdt de tegenstander er meestal vier achter. Met de man die de corner neemt, heb je zo met nog maar vijf spelers rekening te houden. Omdat er ook altijd tenminste één man buiten het strafschopgebied staat voor de afvallende bal, blijven er dan nog vier over.

Van die vier kunnen er vaak twee goed en twee slecht koppen. Meestal zie je dat de goede bij de goede gaan staan. Ik draaide het altijd om en zette mijn goede bij hun slechte, waardoor er nog maar twee problemen op te lossen zijn. Van die twee slechte koppers van mij is er altijd wel een die zo goed in de weg kan lopen, dat er nog maar één tegenstander goed tot zijn recht komt. Als je dan gezorgd hebt dat er genoeg ruimte in het strafschopgebied is ontstaan, dan is die man in principe voor de keeper.

Om zo’n situatie extra in de hand te werken, is het nodig dat de bal hoog voor het doel komt; om dat te forceren zet ik altijd een verdediger bij de achterlijn tussen de paal en de lijn van het vijfmetergebied, waardoor de bal op tenminste twee meter hoogte moet worden voorgegeven.

Samengevat komt het er dus op neer dat mijn belangrijkste verdedigende actie het naar voren sturen van drie spelers is. Toont de tegenstander toch meer durf en houdt maar drie verdedigers achterin, dan krijgt mijn doelman altijd de opdracht om zodra hij de bal heeft meteen onze snelste man voorin aan te spelen. Als je ze zo een keer laat schrikken, dan ben je ook van dat probleem af.”

(Johan Cruijff, “Voetbal”, Opgetekend door Jaap de Groot, Cruyff Library 2012, blz. 72-74, 152-154)