Close

April 21, 2012

Voetbaltaal en tactiek: no look-pass

Adam Maher, AZ Alkmaar (image: ANP/Spits)

De handelingen van een speler in een wedstrijd worden bepaald door wat hij ziet en hoort (input). Dat interpreteert hij (sneldenken), vervolgens beslist hij op grond van zijn interpretatie en in het licht van zijn ervaring (spelinzicht, “reading the game”) wat hij zal doen, Tenslotte zetten zijn spieren zijn besluit om in daden (output).

Het maakt natuurlijk verschil of je in balbezit bent of niet. Ben je in balbezit, dan valt er weer onderscheid te maken tussen balbezit in het duel met een tegenstander (dribbel) en balbezit zonder dat men door een tegenstander wordt aangevallen. In het eerste geval moet de speler niet alleen de bal, maar ook die tegenstander en zo veel mogelijk van de omgeving (periferie) in de gaten trachten te houden. Ook in het tweede geval dient hij “over de bal heen te kijken”, zoals de uitdrukking luidt.

Voetballen is niet alleen “ball-watching”of “player-watching”, maar vooral ook “space-watching”: je moet niet alleen kijken waar de bal is, of alleen je directe tegenstander in het oog houden, maar vooral de ruimte “off the ball” overzien, daar waar de bal niet is (spel- en veldoverzicht). Je moet dus “over de bal heen kijken”, letterlijk verder dan je neus lang is. Voetbal niet “blind”!

Bij het dribbelen of drijven (een term waarbij we niet onmiddellijk aan een te passeren, directe tegenstander denken) wordt de bal telkens kort aangetikt, zodat hij voldoende binnen speelbereik blijft: “bal aan de voet”. Het gebeurt met de binnenkant voet, binnenkant wreef, buitenkant wreef, al dan niet afwisselend (binnenkantje/buitenkantje), en ook wel met de volle wreef. We bereiken bij het drijven de grootste loopsnelheid wanneer de bal met de buitenkant van de wreef wordt gespeeld, voor de man uit.

Solerend kun je tegenstanders op talloze manieren omspelen. Daarbij kunnen schijnbewegingen worden gemaakt met het bovenlichaam (schouders), met de voet en zelfs met de ogen (kijkrichting), opdat de tegenstander de verkeerde kant wordt opgestuurd. In het algemeen gesproken kijkt de dribbelaar meer naar de bewegingen van de tegenstander dan naar de bal en de tegenstander meer naar de bal dan naar de dribbelaar.

De no look-pass – overigens een begrip en term ontleend aan het basketball – is het verplaatsen van de bal naar een medespeler door middel van een visuele schijnbeweging. De passer kijkt bijvoorbeeld naar zijn linker kant, waar een medespeler zich aanbiedt om de bal te ontvangen, maar had intussen al besloten de bal naar rechts in de vrije ruimte op de flank te transporteren voor een opkomende medespeler die die ruimte vanachter uit induikt.

“No look” wil dus zeggen dat hij in een andere richting over bal heen kijkt dan de richtingin welke hij daadwerkelijk de pass verstuurt. Dit is misleidend en briljant! Het grote voetbaltalent Adam Maher (AZ) had het gogme, de durf dit te doen in september 2011 in een competitiewedstrijd tegen Vitesse Arnhem. In Voertbal International van 18 april 2012 (47ste jaargang, Nr. 16, p. 25) zegt hij er het volgende over: “Ik kan alleen zeggen dat ik zoiets niet bewust doe. Ik zagPontus Wernbloom aan de rechterkant, Roy Beerens liep contra. Het komt gewoon in je op.”

(vgl. Rob Siekmann, “Moderne Voetbaltheorie”, Prisma-boeken 1910, Utrecht / Antwerpen,
pp. 98-99, 28-29)