Close

March 1, 2012

Het “poorten” en zijn alternatieven in de voetbaltaal

Wat zeggen de Nederlandse voetbalwoordenboeken over “poorten”? Wat zijn de synoniemen voor deze voetbalterm?

Prisma Voetbalwoordenboek (1978) door Rob Siekmann – met een voorwoord van Jan Mulder (Prisma-boeken 1834; Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen):

benentikken: De bal tussen de benen van de opponent doorspelen en hem zo passeren. Het wekt hilariteit en het is onaangenaam zo voorbijgespeeld te worden alsof je er niet staat. Schoolvoorbeeld van dollen met de vijand. Engels: nutmegging, run around; Frans: petit pont (‘kleine brug’) in tegenstelling tot grand pont waarbij de bal aan de ene kant van de tegenstander wordt gespeeld om aan de andere kant weer aangenomen te worden (buitenom-binnendoor passeren); Tsjechisch: jesle, jesličky (nasadit, dostat) (een kribbe, kribbetje zetten of krijgen), ook housle (= viool0, dudy (= doedelzak) vanwege de virtuositeit van het ‘benentikken’.

Het Voetbalwoordenboek (1990) door Rob Siekmann (Mondria uitgevers, Hazerswoude-dorp):

Behalve “benentikken” – een term die qua constructie eigenlijk een afkorting is en als zodanig vergelijkbaar met uitdrukkingen als “tijdrekken” en “shirtjetrekken” – hoort men ook wel eens de term “poorten”. In vroeger tijden sprak men van de “Engelse schijnbeweging”. [Benentikken betekent risico voor balverlies! Het is moeilijk, dus des te mooier als het toch lukt. Overigens kun je een tegenstander natuurlijk ook poorten door middel van een pass naar een medespeler in plaats van bij wijze van een individuele passeeractie. En de keeper van de tegenpartij kun je poorten en zo meteen scorne, maar je kunt hem ook al poortend eerst omspelen en dan scoren.]

De Fransen spreken van “petit pont” (kleine brug), dit in tegenstelling tot “grand pont” (grote brug, waarmee wordt aangeduid  dat de bal aan de ene kan om de tegenstander heen wordt gespeeld en daarna aan de andere kant weer wordt aangenomen. Opmerkelijk is natuurlijk dat voor een succesvolle “grand pont” de benen van de te passeren tegenstander bij voorkeur gesloten dienen te zijn, zodat er meestal géén brug ontstaat [en zeker geen grote]! Alleen uit de tegenstelling met de term “petit pont” kan men de term “grand pont” begrijpen. In beide gevallen wordt de bal achter de tegenstander geplaatst, waarbij hij bij “petit pont” de korte weg tussen de benen aflegt en bij “grand pont” de langere weg om de speler heen. [met andere woorden, bij “petit pont” gaat de bal onder de brug door en bij “grand pont” eromheen; evengoed: zou qua terminologie “petit pont” “grand pont” kunnen zijn en omgekeerd, want bij het poorten is de brug groter dan bij “grand pont”, waarbij er geen of nauwelijks een brug ontstaat, of hoogstens een kleine.]

Voetbaltaal – Van aanspeelpunt tot zwabberbal (1997; 2008) door Arno Kantelberg (Prometheus Amsterdam):

panna: Kabeltaal. Surinaams voor poorten. De ”kabel” was een verbond van Surinaamse spelers binnen het Nederlands elftal, na de winst op Ierland (1995) geopenbaard. Door deze spelers overigens zonder lidwoord gebruikt: “Wij zijn ‘kabel’”.  Kreeg tijdens het Europees kampioenschap in Engeland (1996) een nare bijklank omdat kabelvorming leidde tot scheuring binnen het elftal.

poorten: De meest vernederende manier om een tegenstander te passeren. De bal wordt hierbij tussen diens benen doorgetikt. Het Duitse Tunneln wordt in dit verband incidenteel gebruikt en soms vernederlandst tot ‘tunnelen’.

Voetbalwoordenboek (1997) door Jaap van der Wijk (Kosmos Z &K Uitgevers, Utrecht/Antwerpen):

benentikken: Ook: poorten. De bal tussen de benen van de tegenstander doorspelen en hem al dan niet met behulp van een schijnbeweging passeren.

bruggetje: “’Een bruggetje maken’ = de bal tussen de benen van een tegenstander doorspelen.”

Voetbal! (2000) door Rob Siekmann en Frans Duivis (Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht):

benentikken: Evenzo als in Het voetbalwoordenboek door Rob Siekmann (1990).

Poortmans: Speler die goed kan poorten. Bijv. Frank de Boer (Ajax, Baecelona en Oranje). In zijn actieve tijd was Willem van Hanegem er een meester in.

Spelen die bal! Voetbal van A tot Z (2000) door Wim Daniëls (Uitgeverij Piramide, Amsterdam/Antwerpen):

Poorten” is de bal tussen de benen van tegenstanders spelen. Het is altijd een mooie actie, waarvan de tegenstanders heel erg balen. In plaats van poorten wordt ook wel tunnelen gebruikt.

Kom zélf eens in de bal! – Trainerstaal, commentatorentaal en kennerstaal (2000) door Gertom de Beer, Maarten Douma, Tim de Beer,m.m.v. Co Adriaanse (Van Holkema & Warendorf):

poorten: Het door de benen spelen van de tegenstander. Gepoort worden is de grootst denkbare vernedering van de tegenstander. Op trainingspartijtjes is het een doel op zich, en als het lukt wordt er vaak schamper om gelachen.

Groot Voetbalwoordenboek van de Nederlandse Taal (2006) door Kees van der Waerden (Tirion Sport/Tirion Uitgevers, Baarn):

benentikken: bruggetje maken / panna / poorten / stokken / tunnelen: bal tussen de benen van de tegenstander schieten. Het woord ”tunnelen” is een germanisme en afkomstig van het Duitse “Tunnelen”.

bruggetje: poortje (wijdbeens staan) – “bruggetje maken” (poorten) wil zeggen dat de bal door de benen van de tegenstander wordt gespeeld.

Source images: Eredivisie Live.